
Het Manneke (Terry Thompson 2013, Vesalius studies)
Een heldere geest
In de zomer van 2024 was er een solo-expositie van Terry Thompson in Galerie Getekend (Heerenveen) te zien. Daar hing deze tekening. ‘Manneke’, zo heb ik hem genoemd. Levensecht, compact, ingekrompen tot een lengte van 115 cm, breedte 60 cm. Ik viel er gelijk op, zonder me precies te realiseren waarom. Door de twijfel in zijn houding, zijn opengevouwen handen, zijn naaktheid, zijn duistere kop, zijn kwetsbaarbaarheid? Gevangen in een net met knopen. Toch zit er ook weerbaarheid in de tekening, een aarzelende houding die gevraagd wordt na zware tegenslag. Ik kocht mijn Manneke van Thompson, hij hangt vredig bij mij aan de muur. Thompson deed onderzoek naar Vesalius, een pionier in de medische wetenschap. Ik ging met hem mee op pad, niet wetend waar ik uit zou komen.
Ik ken Terry Thompson al lang. Hij vertrok al vroeg naar Europa. Met zijn vrouw kocht hij een stuk bouwland, Les Cordiers, in de buurt van de Ventoux. Hij bouwde zijn eigen huis in Frankrijk, ’s zomers gaf hij teken- en schilderles in de buurt van Aix. Hij was en is er een gelukkige Europeaan. In de huidige tijd is hij een ongelukkige Amerikaan. Bij het aantreden van Trump maakte hij deze tekening. Duistere kop, een gevaarlijke gek.

We liepen rond op zijn land in de Provence en hij raapte stukjes tegels en dakpannen op, afkomstig uit de Romeinse tijd aan het begin van onze jaartelling. Er hadden oud-soldaten gewoond, die na lange dienst in Romeinse legers daar een stukje land mochten bebouwen. Ik grapte ‘Hoe het in de VS is weet ik niet, maar dat als je in Europa ergens een spade in de grond steekt, stuit je op een oude cultuur, doe je dat in Rusland, dan stuit je op een skelet van een beer of een wolf… Op zijn land zat ondergronds een reservoir waar altijd, hoe droog het ook was, water in zat. Ik deed hem het idee aan de hand om een ring van een huifkarren er omheen te zetten en delen van de Amerikaanse geschiedenis zich daar in een bont spektakel te laten afspelen. Ik zei: ‘als je het ‘museum’ noemt dan komen de Fransen, vroeg of laat.
Een scène
‘Man has no clear mind’, zegt het opperhoofd tot zijn mannen. Een scène met cowboys, geüniformeerde legereenheden en strijdlustige Indianen. Het Amerika van toen. Het opperhoofd spreekt zijn mannen toe op de vlakte waar een slachting heeft plaatsgevonden, waar geen mens meer rondloopt. Overal liggen lijken en roepen gewonden om hulp. Geen toekomst, geen vergezichten. Rook en kruitdampen bemoeilijken het zicht. Het opperhoofd doet zijn beroemde uitspraak tegen een restje dappere strijders te paard, samen met nog wat bont uitgedost voetvolk van kreupelen en gewonden, het laatste wat er nog rest van al zijn krijgers. Ze hebben deze slag gewonnen, maar de oorlog tegen de bleekhuiden zullen ze verliezen. Daar doelt hij op in zijn toespraak: tegen deze lieden vechten, is vechten tegen de bierkaai. Die weten van geen ophouden. De nieuwkomers uit het Europese continent op het noordelijke halfrond slachten eerst de Indianen af, daarna krijgen ze de tijd om elkaar te bestrijden en als dat achter de rug is, zijn er altijd wel andere overzeese gebieden waar gevochten kon worden. Met Trump wordt het allemaal geschiedenis.
De Europese kolonisatie van Noord- en Zuid-Amerika komt vanaf 1550 op gang, het brengt de zucht naar verovering mee en een nog grotere wereldwijde vechtlust. De bedoelingen zijn niet altijd slecht, sinds Trump wel. Oorlog is een akelig en duister mensenwerk, het heeft pijnlijk genoeg veel effect op de ontwikkeling van de moderne geneeskunde. Een veldslag levert vele gewonden en lijken, veel studiemateriaal. Ik heb nog nooit gehoord van een oorlog die gevoerd werd om de geneeskunde vooruit te helpen. De ontwikkeling van de geneeskunde, het is een bijkomstig neveneffect.
Allereerst heb je heldere geesten nodig om weer heelhuids uit oorlogen te komen, om de schade te herstellen, om blijvende vrede te dienen, om daarmee zo lang mogelijk de volgende oorlog uit te stellen. Vanaf die tijd, midden zestiende eeuw doen nieuwe, grote langdurige oorlogen hun intrede, om niet meer weg te gaan: bloedige godsdienstoorlogen, territoriale conflicten en grote machtsstrijd. Het begin van een moderne tijd?
In vredestijd
Een voorbeeld van een heldere geest in de medische geneeskunde is Andreas Vesalius. Met zijn werk kondigde hij een nieuwe renaissance aan. Wikipedia: ‘Hij schreef het eerste complete boek over de menselijke anatomie. De Humani Corporis Fabrica. De volledige titel was De humani corporis fabrica libri septem. Een zevendelig werk. In het eerste deel behandelt Vesalius het skelet. Alle bekende botten worden gedetailleerd weergegeven. Het eerste deel eindigt met drie over de hele lengte van het blad weergegeven skeletten in verschillende poses. Zo is er een skelet opgehangen aan een galg en staat er éen tegen een bureau geleund terwijl hij zijn anatomie bestudeert. Het tweede werk behandelt de spieren. De kunstige ‘spiermannen’ in idealistische landschappen waren voor die tijd halverwege de 16e eeuw revolutionair. Het derde boek gaat over aderen en slagaderen. Het vierde werk gaat over het zenuwstelsel. Boek vijf behandelt de belangrijkste organen. In het zesde boek komen het hart en de longen aan bod. Het laatste boek ten slotte gaat over de hersenen. Vesalius liet voor zijn studenten een beknopte versie van de Fabrica drukken, de Epitome. Dit werk konden ze meenemen naar hun snijtafels. Andreas Vesalius wordt beschouwd als een grondlegger van de moderne medische wetenschap. (Brussel, 31 december 1514 – Zakynthos (Griekenland), 15 oktober 1564).

Eén heldere geest is heel wat, er zijn perioden in de zich ontwikkelende mensheid, waarbij dat niet genoeg is. Er zijn vele heldere geesten nodig, er moet afscheid genomen van bepaalde gewoonten en nieuwe ontwikkelingen dienen zich aan of worden omarmd. Soms is er een renaissance nodig: een overstap naar andere gezichtspunten en inzichten, naar andere waarden en nieuwe praktijken. Met Vesalius werden nieuwe wegen voor de moderne geneeskunde ingeslagen. Hij had niet eens een microscoop, alles met het blote oog. Hij had meesters in de houtsnijkunst nodig en met de uitvinding van de boekdrukkunst kon zijn werk vermenigvuldigd en getoond worden. Vesalius zelf heeft geen nieuwe organen ontdekt, dat neemt niet weg, dat hij talrijke verbeteringen aanbracht in de bevindingen zoals die door onderzoekers vóór hem waren weergegeven; de kennis en de studie van de anatomie was ná Vesalius geheel anders dan vóór hem. Hij leefde in een tijdperk dat nog overgeleverd was aan middeleeuws geloof en bijgelovigheden. Zijn lijfspreuk luidt ‘Voel met eigen handen en vertrouw hierop’. De methoden, die hij toepast, lijken reeds te voldoen aan moderne eisen van een onbevooroordeeld onderzoek.
Tegenwoordig lijkt het of de microscopische benadering van het menselijke lichaam zijn grenzen kent. We hebben tal van heel precieze doorkijkjes in het menselijk lichaam. We gaan erin met slangetjes en camera’s. De vraag dringt zich echter op: komen ziekten niet uit de omgeving? Door vechtende bleekhuiden, die van elders komen? Hoe verhoudt ons lichaam zich met ‘buiten’. Hoe beïnvloedt ‘buiten’ ons. Komen we niet om in details, in effecten en neveneffecten. In hoeverre wordt onze gezondheid bepaalt door: oorlog, pandemieën, stress, vervuiling, plastics, fijnstof, luchtkwaliteit, Pfas, glyfosaat, drugs, alcohol, vlees. Mijn manneke blijft allemaal vragen oproepen terwijl hij bij mij aan de muur hangt.


Lange levenslijnen, terug in de tijd
Terug naar eerder genoemde kunstenaar Terry Thompson. Hij begon in 2012 een onderzoek naar Vesalius en werd geïnspireerd tot verschillende tekeningen. Thompson is van oorsprong Amerikaan maar woont sinds 1979 in Nederland. Zijn opleiding heeft hij gehad in de muziek in de V.S. en Europa – Bachelor of Music, Indiana University; Master of Music, Catholic University of America. Hij studeerde verder aan de Hochschule fur Musik Berlin en het Instituut voor Sonologie in Utrecht. Na een carrière als trombonist legde hij zich vanaf 1985 met succes toe op de beeldende kunst. Een gezegend kunstenaar. Zijn expositie in Heerenveen kreeg de titel Life Line.
Thompson gebruikt de lijn als gereedschap, de lijn echter dicteert ook de koers van de hand van de kunstenaar. De lijn – the life-line – is zowel meester als dienaar. ‘De lijn is het leven in de tekening’, zegt hij.

Thompson heeft een enorme productie en hij heeft veel geëxposeerd. Zijn bekendste boek is Remains, een bijna 6 meter lange tekening, over de mens in zijn existentie, gemaakt in een leporello-reproductie van 40 opeenvolgende pagina’s. Het is een enigmatisch beeldverhaal in 40 opeenvolgende pagina’s met een totale lengte van bijna 6 meter. De tijdloze thema’s Eros en Thanatos zijn de hoofdrolspelers die hun verhaal vertellen zonder woorden. De titel REMAIN(S) heeft een dubbele betekenis. ‘To remain’ (blijven) is een pleidooi tot de geliefde om te blijven, om in dit leven te blijven. ‘Remains’ zijn de overblijfselen van onze existentie na de dood: hetzij fysiek, hetzij geestelijk, hetzij in de herinneringen van hen die na ons blijven: (Uitgeverij de Toorts).
Ook in Remains is de mens gevangen in een spinnenweb van lijnen, zonder vergezichten, verknoopt in verbanden, gevoelig, hulpeloos, vertwijfeld, vragend? Geen boek dat je zomaar kan open slaan. Ook in de prints van Vesalius zit deze diepgang, een perspectief is er niet: het zijn geëtaleerde schetsen. Net als bij de karkassen van Vesalius presenteren de lijntekeningen van Thompson zichzelf in verschillende houdingen.

Condition of man
Om de huidige conditie van de mens te beoordelen is het niet voldoende om zijn gezondheid, zijn mogelijke levensverwachtingen in de huidige geavanceerde gezondheidszorg te beoordelen, de mens is een onderdeel geworden in een inmiddels groot oerwoud van neveneffecten van zijn eigen gedragingen (doorlopende oorlogen, uitputting van energie bronnen, het mengen van giffen, het vergiftigen van landbouwgronden, het manipuleren met onafbreekbare stoffen). De mens dreigt ook het slachtoffer te worden van het falen van democratische verworvenheden, van de effecten van het (roof)kapitalisme. Ik zet enige neveneffecten van de menselijke activiteit op een rijtje:
– Herontdekking van kostbare en zinloze oorlogsvoering, met ongelooflijk veel slachtoffers onder soldaten en burgerbevolking, (‘Dit nooit meer’ na de tweede wereldoorlog of ‘Daar gaan we weer’, in een opmars naar de derde?)
– Herontdekking van de leegte van het bestaan.
– Ontkenning van de medemens en zijn belangen. Asielzoeker of niet. Eigenaar van zijn land of niet.
– Vastlopen van democratieën in beknellende connecties en loze verdragen.
– Besef van het ontbreken van schoonheid.
– Toenemende verlies van veiligheid.
– Ontbreken van verantwoordingen door verantwoordelijken
– Ontbreken van worldviews

Tachtigjarige vrijheid 1946 – 2026
‘Wanneer je alles gaat missen, is alles je lief,’ noteert Wim Kayzer in beschouwende memoires waaraan hij werkte tot vijf dagen voor zijn dood in 2024. De jaren van ononderbroken vrede sinds de Tweede Wereldoorlog, misschien onze gelukkigste, vallen samen met zijn eigen intens genoten en geleefd bestaan. Wim Kayzer, De gelukkigste jaren van de mensen (Uitgeverij Balans 2024).Ruim twintig jaren die Kayzer in zijn hoeve in de Cevennen doorbracht, brekend en bouwend, maaiend en zaaiend, ’s avonds lezend en drinkend, ’s nachts turend naar de hemel. Hij voelde zich er, vooral bij zwaar fysiek werk, vaak gedachteloos gelukkig, ‘in het moment’ zoals dat heet met een uitdrukking die hij ongetwijfeld zou verafschuwen. Maar de benaming slaat op de periode tussen zijn geboorte, in 1946, als kind van de oorlog, en 2020, toen covid en daarna de oorlog in Oekraïne, ruw een einde maakten aan het idee dat we ons met de grote vragen van het leven konden gaan bezighouden omdat we, in ieder geval in het Westen, al heel lang vrij waren van honger, onderdrukking en geweld. Dat einde viel samen met een verslechtering van zijn toch al steeds brozere gezondheid. Hij belandt een tijd in een Frans ziekenhuis, er zijn problemen met beide hartkamers, steeds nieuwe complicaties en bijwerkingen van de medicijnen, aandoeningen van de nieren en de lever, de prognose is somber, de levensverwachting ‘zeer beperkt’, de situatie ‘stabiel fragiel’. Hij moet de hoeve opgeven.
Kayzer heeft na lang delibereren tussen artsen een steunhart gekregen, een pomp die de bloedsomloop op gang moet houden samen met een pacemaker die het ritme stabiliseert, terwijl een computer erop toeziet dat er geen trombose of hersenbloeding ontstaat. Iedere tien uur moeten de lithiumbatterijen worden vervangen, er hangt een controller aan zijn broekriem, er staat een generator klaar voor het geval de stroom uitvalt, het hart kan niet meer functioneren zonder elektriciteit, hij leeft via het stopcontact. Deze biventriculaire pacemaker (CRT-P) is een speciaal type pacemaker dat beide hartkamers tegelijkertijd stimuleert. Dit apparaat wordt gebruikt bij patiënten met ernstig hartfalen en een slechte pompfunctie, waarbij de linker- en rechterhelft van het hart niet meer synchroon samentrekken. De pacemaker hangt aan zijn lichaam. Ik zie Wim Kayzer als een skelet van Vesalius voor me: met een broekriem om, behangen met batterijen en een steunhart. Een generator aan zijn voeten. Hoe zou Terry Thompson hem tekenen?

Kayzer leed aan levensbedreigend hartfalen. ‘Ik leef dankzij een pomp die aan mijn linkerhartkamer is gekoppeld en die vijfduizend keer per minuut de bloedstroom gaande houdt, dankzij een biventriculaire pacemaker die tracht te voorkomen dat mijn hart voortdurend uit het lood slaat. Ik leef op het ritme van de computer die de pomp aanstuurt, dat zoemen dat elke seconde even stopt om de kans op trombose en hersenbloedingen te verminderen.’ Ik zie Wim Kayzer voor me: met opengevouwen handen, in zijn naaktheid. Gevangen in een net met knopen.

Intussen had zich een bacterie in zijn lichaam genesteld die de implantatie van het steunhart te risicovol maakte. Er werden kweken uitgezet. ‘Tussen mij en de eeuwigheid staat een bacterie, vijfhonderdmaal zo klein als een haar, schreef hij. Er is al spoed achter gezet, maar eerst moet de bacterie weg.
‘Waarom kan ik dan niet tijdelijk naar huis?’ vraagt hij.
‘Dan kunnen we niet garanderen dat we u over een week nog terugzien, u heeft de permanente observatie echt nodig,’ zegt de zaalarts. Kayzer vraagt hem of hij enige voorstelling heeft van wat het betekent om uitgeleverd te zijn aan artsen en verpleging.
‘We doen ons best,’ zegt de zaalarts. Kayzer:
‘Ik zeg tegen hem dat ik daar niet aan twijfel, maar me afvraag of een arts weet wat het betekent als hij tegen een patiënt zegt dat die nog een week moet wachten, in bed, in eindeloze verveling, met het gegiechel van de verpleegsters op de gang, met uitzicht op duizenden identieke witte stenen.’
De zaalarts zegt dat hij begrijpt dat het thuis gezelliger is…
Tenslotte
Ondanks zijn fysieke aftakeling en de worsteling met zijn snel naderende dood blijft Kayzer scherp, soms cynisch, soms zachtzinnig en poëtisch schrijven. Met een heldere kop: ‘In het zicht van de dood hebben de grote woorden, de literatuur, de wetenschap het hazenpad gekozen,’ schrijft hij, het gaat hem nu veeleer om schijnbaar kleine dingen: God schuilt in de details. Uit kieren en gaten komen lang vergeten herinneringen tevoorschijn, een stoet van beelden uit een vroeger leven begint hem te omgeven. In prachtige passages komt zijn jeugd voorbij, zijn ouders, oude vrienden en vriendinnen, zijn schaamte over wat hij fout deed.
Mijn Manneke knikt instemmend.
De psychiater Zilboorg heeft in 1950 een uitvoerige beschrijving gegeven over het karakter van Vesalius. Hij meent in Vesalius een vreemde, zelfs psychopatische persoonlijkheid te ontdekken met duidelijk schizoïde kenmerken. ‘Zijn ijver in de jeugd, het ontleden van dieren als kind. Zijn diefstallen van lichamen, van gedeelten van lijken op kerkhoven en plaatsen van terechtstellingen maken Vesalius tot iemand waarin men gemakkelijk vreemde trekken kan terugvinden…’. En: ‘Zijn snelle roem. Hij schreef de ‘Fabrica’ toen hij 28 jaar was. Zijn plotseling opgeven van de functie van hoogleraar, zijn verbranding van zijn aantekeningen, zijn verdwijnen uit Italië om hofarts te worden aan het hof van Karel de Vijfde in Madrid en dan weer plotseling weer uit Spanje te verdwijnen om op reis te gaan naar het Heilige Land.’
Het is misschien een aaneenschakeling van uiteenlopende, veelal spontane, vermoedelijk niet altijd weloverwogen wendingen. Een duidelijk aanwijsbare oorzaak voor deze reislustigheid is niet bekend. Het verhaal wil, dat hij het lijk een edelman opensneedt, wiens hart nog bleek te kloppen. De familie zou hem daarna bij de gewone rechtbank maar ook bij de Spaanse Inquisitie hebben aangeklaagd. Het zou aan koning Philips de Tweede te danken zijn dat hij gespaard werd van de brandstapel. Als boetedoening zou de Philip hem op bedevaart gestuurd hebben. Na zijn pelgrimsreis wordt hij echter gewoon weer als hoogleraar anatomie in Italië in Padua aangesteld.
Mijn Manneke knikt instemmend. Maar waarom hangt Zilboorg eeuwen later zijn label van psychopatische persoonlijkheid met schizoïde trekken aan Vesalius? Er zijn immers altijd n+1 mogelijke toelichtingen op menselijke activiteiten? Deze vorm van labellen lijkt op een terugkeer naar middeleeuws geloof en bijgelovigheden. Voor een verdere ontwikkeling van de geneeskunde is er iets anders nodig: een besef dat wij onderdeel zijn van het probleem, een besef dat wij geen afdoende oplossingen kunnen bieden, dat ons leven – hoe dan ook – eindig is en dat wij door ons gedrag bijdragen aan de versnelling van die eindigheid. Verbeeld ik het me?
Ik zie dat mijn Manneke fronsend voor zich uit kijkt, gevangen in twijfel.
Bert Bakker
(Opgedragen aan mijn broer Abraham Bakker)
Bronnen
De Humani Corporis Fabrica. Vesalius liet voor zijn studenten een beknopte versie van de Fabrica drukken, de Epitome. De eerste uitgave van Andreas Vesalius’ De humani corporis fabrica en het bijbehorende Epitome verscheen in 1543 bij uitgever Johannes Oporinus in Bazel.
Wim Kayzer, De gelukkigste jaren van de mensen, Uitgeverij Balans 2024.
Terry Thompson, Remains, Uitgeverij de Toorts.
Baruch, J.Z. Leven en werk van Andreus Vesalius, Kruseman 1964.