Solitair of solidair

Mijn moeder had in de jaren ‘50 een huisje laten bouwen op de Drentse hei. Na het overlijden van mijn vader, die zij op al zijn ongeregelde standplaatsen had gevolgd, wilde ze alleen nog maar verder de binnenlanden in. Veel was het niet, dat huisje. Een zitkamer, twee slaapkamertjes, een keukentje, een halletje, met links een wc en rechts een lavet. Een totale oppervlakte van niet meer dan 12 bij 6 meter. Dubbel steens. Ze vond geen geschikte behuizing en mijn broer Jan had een mooi ontwerp gemaakt. De diverse “schoonheidscommissies” hadden zoveel detailwijzigingen verlangd dat van het oorspronkelijke ontwerp weinig meer over was. 

Moeder had zelf het stuk land aangewezen waarop ze wilde bouwen, ze was zelf met een eigen ontwerp gekomen. Die boeren hadden nog nooit zoveel kapsones van een stadse meegemaakt. Onder de bevolking daar heerst jenever en achterdocht. Gebeurt er iets op het platteland, dan weet niemand er het fijne van, maar iedereen is er wel bij betrokken. Ze was niet bang. Ze ging ons voor op de fiets met Charly achterin. Charly was een hondje dat we ooit van een boer gered hadden. Ze was vernoemd naar Checkpoint Charly: die grensdoorgang in de muur van Berlijn.We verlieten in de weekeinden Meppel om zo’n 20 kilometer landinwaarts te trekken. Wij reden vrolijk op onverharde wegen achter haar aan. Had ze niet ooit op een sportacademie gezeten. Kon ze geen tobbe vol met was optillen? Had ze geen acht kinderen gebaard? Mijn oudere broers reden rond in oude auto’s, studeerden al, of ze zaten op de grote vaart naar Australië. Wij, de jongste drie, de naoorlogse generatie zeg maar, volgden haar op deze expeditie. 

Ze was een Amsterdamse.

Toch was mijn moeder geen zonderling. We gingen bij de buren op bezoek. We kochten melk en eieren bij de boer. Met de schaapsherder hield ze hele verhalen en we dronken altijd wat bij het clandestiene theehuis in het bos. Wij gingen met de jagers mee en moeder lette erop dat ze ze allemaal kende en ze zag erop toe dat we voor donker weer binnen waren. Bij boer Kelly stond op een dag een moderne televisie. Ze plande de bezoekjes zo dat we het TV-Journaal om 6 uur konden zien. 

Weduwe met haar kinderen.

’s Zondags gingen we altijd naar de kerk in Ruinen. Toen was al duidelijk dat het geloof aan ons geen bestede zaak was. We gingen zoals een goed dooplid, of zoals mijn moeder, een belijdend lid, betaamd. Mijn broers waren vrijmetselaar of toen al ergens in de binnenlanden van India bij Sai Baba verzeild. Ik had gezondigd tegen de heilige geest en daarin op de Drentse heide kon de almachtig heerser toch niets voor ons uitrichten. Ik geloofde in Wodan en in “witte wieven”, heksen die plotseling vanuit flarden mist naderbij komen. Ik denk dat mijn moeder naar de kerk ging om wat contacten te onderhouden met de bevolking. Zij was ’s ochtends toch al vroeg wakker en ze had ons mooi op tijd uit bed getrommeld. 

Meer niet. 

Die zondag zal dominee Vreugdenhil spreken en die is een beetje familie van ons. Van ons emanciperende gereformeerde volksdeel, bedoel ik, van het spaarbusje op de schoorsteen voor de Vrije Universiteit. Het volk moet gekerstend worden en de opdracht die de gereformeerde kerk in het Drentse achterland heeft, is een van God gegeven. Vreugdenhil preekte op verschillende plaatsen en het verplaatste zich in een klein éénpersoons autootje. Een soort cockpit op drie wielen. Meestal kwam ie precies op tijd aan. Hij zwaaide dan de rijdende glasbol open en stapte als professor Barabas uit: klaar voor zijn goddelijke missie, in toga. Vreugdenhil was een spontaan spreker en ook de gebeden leek hij zo uit zijn mouw te schudden. Hij legde een horloge op de kansel, bekeek zijn gehoor. Ik denk dat hij dan met zichzelf afsprak hoelang de te verrichten handelingen mochten duren en dan improviseerde hij uit de losse pols. Zijn toon was aanvankelijk gelijkmatig, maar zodra de eersten, die al om zes ‘uur s ochtends onder de koeien hadden gezeten, in slaap vielen, wisselde hij van toonzetting: bulderende waarschuwingen van hel en verdoemenis, dan weer een kabbelend geprevel van genade en verzoening. Ze sliepen er onrustig van; zuchten, gapen, verzitten. Maar, Vreugdenhil zorgde er tenminste voor dat Gods woord niet aan de slapers voorbijging.

Hij stond op de kansel, hij sprak over ‘solitair of solidair’, het horloge lag klaar, de gemeenteleden gaven een rol King door. De ouderlingen strekten de benen, in afwachting van datgene dat de voorzienigheid hem zou ingeven. Ik herinner me de voortdurende herhaling van die twee woorden: solitaàair of solidaàair. Zoals Johnny de Selfkicker dat jaren later zou doen voor het grootstedelijk publiek.

Moeder schrok op uit haar dutje. Vreugdenhil sprak van ‘sjieke buitenlui met luxe gewoonten die geen deelhebben aan de noden van de plattelandsbevolking’ en ‘dat de eerste collecte bestemd is voor overgeblevenen van gesneuvelde familieleden.’ Ik zag mijn moeder met een kordaat gebaar haar duit in hun zakje doen.

BB

Amsterdam, 15 september 1994

(Opgenomen in de Veerkrant te Leiden. Locale kranten productie van P&D (van Problem&Design zo had mijn bedrijf genoemd) tijdens het Veercongres Solidair of solitair. Eerste exemplaar van de krant werd overhandigd aan Koningin Beatrix)