De wederopstanding – Bert Bakker

Mijn grootvader Popke Sjoerds Bakker, 1853 in Langweer geboren, trouwde op 23 juli  in 1875 met Dieuwke Althuisius, 19 jaar oud, geboren te Joure. Ze kregen 17 kinderen, waarvan er twee vroeg overleden. Op diezelfde dag trouwde zijn broer met haar zuster, ook een kinderrijk initiatief. Twee huwelijken, een dag in het voortbestaan van mijn wijdvertakte familie. Om het perspectief niet wijder te maken dan nodig, laat ik het tweede echtpaar en hun kroost buiten beschouwing. Natuurlijk, er zijn meer voorvaderen, nazaten, verre familieleden en er zijn meer broers en zusters. Ze moeten ook, net als ik, het doen met hun familiegeschiedenissen

Als ik deze Popke Sjoerds en zijn Dieuwke tot mijn stamouders reken, dan heb ik een redelijk overzichtelijk geheel. Het bezwaar is dat ik te veel naar het verleden terugkeer. Of ben ik zelf al ook al verleden tijd? Ik ben nu vierenzeventig jaar, mijn toekomst is niet, zoals in mijn jeugd, ver weg.

Mijn grootouders vestigden zich met vooruitziende blik in Buitenpost, aan de spoorlijn halverwege Groningen en Leeuwarden In de jaren 1876 tot en met 1900 werd hun nageslacht verwekt. Ze werden al gauw vermogend, ze zaten in het onroerend goed, in de textiel en maatkleding, ze hadden een winkel in Buitenpost, ze openden winkels in Groningen en Leeuwarden, ze waren bestuurlijk zeer actief. Stil zitten zat er niet bij. Ze waren, niet alleen op zondag, streng gereformeerd. 

Waar andere families generaties over deden, of nooit aan toekwamen, werd bij dit echtpaar in korte tijd gerealiseerd. De jongens gingen als zonen van een schipper, caféhouder, zakenman in Langweer door naar functies als: burgemeester, rechter, directeur van uitgeverij of ondernemingen in textiel, de meisjes deden dat door met geleerden, zakenlieden en ook burgemeesters te trouwen. 

Ik ben van 1949, zoon van Abraham (1896). Mijn vader was nummer veertien, de éen na jongste in deze rij van kinderen. Hij was jurist, kantonrechter. Hij trouwde met Riek Dik (1906), dochter van Egbert Dik een vermogend man die rond de eeuwwisseling met zijn zaak vanuit Groningen naar Amsterdam verhuisde. Daar begon hij op de Torensteeg, maar al gauw liet hij een pand op de hoek Leidsestraat-Kerkstraat bouwen. Na het overlijden van hun ouders namen mijn moeder en haar vier zusters het beheer van de zaak over, tante Betty kreeg de dagelijkse leiding. Modehuis Dik in de Leidsestraat werd in 1972 opgeheven. 

Wat opvalt in de familie van Popke Sjoerds en Dieuwke: snel groot en kinderrijk, godvruchtig, snel vermogend, actief op verschillende terreinen. Hoog tempo in de voortplanting. Ik heb neven en nichten die ouder waren dan mijn vader. 

Veel familiegeschiedenis wordt weergegeven in boomstructuren, organigrammen, in genealogieën, in relaties tussen generaties. Zo wordt ordening en overzicht over langere tijd geboden. Een familiegeschiedenis is veelal rommeliger. Het heeft meer overeenkomst met een bord spaghetti dan met een kerstboom. 

Tegenwoordig wordt ook gedacht in familieopstellingen. Het doel van een familieopstelling speelt in het heden. Het is een manier om emotionele blokkades en onbewuste patronen in het bewustzijn te brengen, zodat je als nazaat of familielid kunt kiezen of je ermee (met je familie) wilt blijven leven of andere keuzes wilt maken. Het verschil in deze benaderingen is niet wie als buitenstaander indeelt (a), maar wie deelneemt als lid aan een familiegeschiedenis (b) en op welke manier de deelname plaatsvindt (c). 

Werk aan de winkel

Ik ga als volgt te werk, ik zet bij opa Popke Sjoerds een punt en trek een lijn door naar éen van zijn nazaten, mijn oom Sjoerd Popke (no. 3). De lijn loopt door naar Lambertus Jozef, mijn neef, zijn zoon, de schrijver, dichter, uitgever Bert Bakker senior, vervolgens naar de vrucht van zijn arbeid: de uitgeverij Bert Bakker–Damen NV en dan naar mijn achterneef, zijn opvolger, de uitgever Bert Bakker junior, kleinzoon van oom Sjoerd Popke en eindig ik bij mijzelf. Een dwarsdoorsnede in de familie Bakker met drie Berten. Ik mag de oude Bert sr. mijn neef noemen en de jonge Bert jr. is mijn achterneef. Een neef en een achterneef, driemaal Bert Bakker, nazaten van Popke Sjoerds en Dieuwke.

In deze stamboom van Popke Sjoerds en Dieuwke hangen de vijftien vruchten van hun inspanning, mijn ooms en tantes, met mijn vader Abraham als nummer veertien. Op de bijgevoegde foto ziet u het gehele stel bijeen. Met mijn broers, zuster en ik, met al mijn neven en nichten vormen wij het totaal van zevenenvijftig kleinkinderen. Mijn lijn loopt dwars door de kruin van deze familie stamboom tussen drie en veertien, van oom Sjoerd Popke (1879) naar mijn vader, die in 1896 werd geboren. Ik scalpeer de stamboom van de Bakkers.

1 – Pieterje (geen kinderen)
2 – Afke (geen kinderen)
3 – Sjoerd Popke (zes kinderen)
4 – Idske (geen kinderen)
5 – Wiebegje (vier kinderen)
6 – Dirkje (negen kinderen)
7 – Dirk M. (drie kinderen)
8 – Albert Sj. (zeven kinderen)
9 – Miente (dertien kinderen)
10 – Lammert (vijf kinderen)
11 – Neeltje (drie kinderen)
12 – Sikke (twee kinderen)
13 – Hendrik (geen kinderen)
14 – Abraham (Mijn vader, acht kinderen)
15 – Paul (vijf kinderen)

Rond 1900 is deze foto gemaakt van het gezin van Popke Sjoerds Bakker en Dieuwke D. Althuisius. Popke werd geboren in 1852. Dieuwke in 1855. Ze trouwden in 1875 en woonden in Langweer, waar hij beurtschipper was. Het echtpaar kreeg zeventien kinderen, waarvan er twee heel jong gestorven zijn. Later verhuisde het gezin naar Buitenpost. Popke en zijn vrouw woonden met hun kinderen in het Jeltingahuis. Popke Bakker was toen handelaar geworden.

Bovenste rij van links naar rechts: Wiebegje (later getrouwd met dr. Sjoerd Eringa in Rotterdam), Miente (later in verzekeringen te Leeuwarden), Dirkje (later getrouwd met ds. Cornelis van Mourik onder andere te Ameland en Twijzelerheide), Albert (later zakenman te Buitenpost), Idske (ongetrouwd). 

Middelste rij van links naar rechts: Dirk (zakenman te Groningen), Afke (later getrouwd met burg. Pier Eringa van Achtkarspelen), Sjoerd (later directeur van dagblad De Standaard), Dieuwke D. Bakker- Althuisius (overleden in 1935), Popke Sjoerds Bakker (overleden in 1918), Pietertje (ongetrouwd), Lammert (zakenman te Den Haag). 

Onderste rij van links naar rechts: Sikke (zakenman te Leeuwarden), Hendrik, Bram (kantonrechter te Assen en Meppel), Paul (drukker/uitgever te Amsterdam, is gefusilleerd voor het drukken van Trouw in ‘40-’45), Neeltje (later getrouwd met oud-gemeentesecretaris Teake Bakker van Leeuwarden). (Bijschrift is van Dineke van Mourik).

Trouw aan de toekomst

Met grote stappen naar de toekomst. We beginnen rond 1850. Sinds Koning Willem I, Willem Frederik Prins van Oranje-Nassau (1772 – 1843) na de broer van Napoleon aan de macht kwam, werden in Nederland nog meer kanalen gegraven, landwegen verhard, nog meer dijken opgeworpen tegen het wassende water. Onze Koning Koopman, de Kanalen Koning, had het nationale spel van ruimtelijke ontwikkeling geopend en gaf het voorbeeld. Den Haag was aan zet, de provincies, de steden, het platteland volgden met gretigheid. Er werden bestuurlijke en democratische structuren gecreëerd en bemand. Informatievoorzieningen werden ingericht, kranten, boeken worden gedrukt, de persen begonnen goed te draaien.

In Nederland kwam het statelijk ondernemerschap hoog in het vaandel, burgers en boeren werden zelf ook steeds actiever. Grote gezinnen, zowel bij de katholieken als de protestanten. Ook de socialisten en de communisten gingen voorwaarts. Er werd gewerkt aan emancipatie, niet alleen via het geloof en in ‘zuilen’, in 1917 mocht gans het volk aan de nieuwe ontwikkelingen meedoen en werd het vrouwenkiesrecht ingevoerd. 

Nog meer polders werden drooggemalen, akkers ingezaaid. Iedereen deed mee. Heel Nederland ging op de schop, spoorwegen werden verder uitgebreid, stoomtreinen werden vervangen door elektrische treinen. De fiets deed massaal zijn intrede en ging nooit meer weg. Gemotoriseerde vehikels deden hun intrede, automobielen, alles kwam in beweging. Buiten- maar ook binnenshuis veranderde alles. Houtkachels werden vervangen door centrale verwarming op gas met hoogrendementsketels. De huisvrouwen werden ondersteund in hun activiteiten door elektrische apparaten, wasmachines, kooktoestellen, stofzuigers en vuilophaaldiensten. De voddenboer en de schillenboer met de hondenkar bleven weg.

Intussen was de luchtvaart al zover dat lange vluchten naar Ons Indië tot de mogelijkheden behoorden. De 20ste eeuw lag al een tijdje roerloos als een bal voor open doel. Natuurlijk, er waren aarzelingen en hindernissen. Het duurde even, maar we knalden hem erin. Aan oorlogen in Europa en aan de eerste wereldoorlog deden we wijselijk niet meer mee, de tweede werd ons door de Duitsers opgedrongen en nam veel tijd in beslag. Een ramp voor mijn familie, die zich persoonlijk verantwoordelijk achtte om de Duitse bezetter dwars te zitten. Hier zou ik kunnen uitweiden naar mijn neven, de kinderen van oom Miente en naar de jongste broer van mijn vader, oom Paul, die in de tweede wereldoorlog in het verzet zaten en gefusilleerd werden. Er werd een hoge prijs betaald, daarover niet nu, maar een andere keer.

In een dichtbij verleden, begin jaren vijftig werd de televisie geïntroduceerd. Voorlichting aan het volk werd al met de radio gegeven en dat kon nu ook met beelden de huiskamer in. Alles veranderde vanaf toen in nog meer stroomversnellingen. Het volk had vertier nodig. Spelletjes op tv werden populair. Belangrijke afleiding en ter vermaak voor burgers en buitenlui, noodzakelijk ook, want het tempo van vernieuwingen bleef hoog. En passant en heel begrijpelijk, ontstond er in de Nederlandse huiskamer een beeldbuiscultuur. Zo is het toevallig ook nog eens een keer. 

Allemachtig, de televisie, het venster op de wereld, eerst nog in zwart en wit en al gauw ook in kleur. Heremijntijd. Nederland is waarlijk herrezen? De beeldreligie in Nederland was al snel een feit, de burgers mochten niet alleen thuis maar voor de buis, in Hilversum op Nederland 1 of 2 meedoen in spelletjes. Massale loterijen van de staat, de postcode, of de bankgiro moesten toen nog worden uitgevonden. 

Wie van de Drie bijvoorbeeld was een televisieprogramma dat gebaseerd is op de Amerikaanse televisiequiz To Tell the Truth. De oorspronkelijke Nederlandse versie werd uitgezonden op Nederland 1 van 1963 tot 1983, nog even in 1991 en van 1994 tot 1997 op Nederland 1. Van 2010 tot 2013 keerde het weer terug op de buis. Opnieuw, sinds oktober 2020 wordt het programma uitgezonden. Ik ga met dat programma meedoen en ik neem twee familieleden mee.

Het spelprogramma

Het spelprogramma begint met drie silhouetten achter een gordijn. Het gordijn wordt opgehaald en de drie personen stellen zich voor, steeds met dezelfde naam.  Het is nog schimmig, wat zijn de overeenkomsten? Er hangt nog een sluimer. Wie is wie? Waar gaat dit heen? We zullen zien.

Er zijn en er waren meerdere Bert Bakkers in de nasleep van Popke Sjoerds en zijn Dieuwke. Er spelen drie een rol. Bert Bakker senior, mijn neef; mijn achterneef Bert Bakker junior en ikzelf: drie Bakkers in de Friese familie Bakker-Althuisius.  Als ik mij ergens met mijn naam voorstelde, dan was het steevast: familie van de uitgever?

Deze aflevering van Wie van de drie eindigt met de vraag ‘Laat de ware Bert Bakker opstaan!’ Ik verklap het maar: Bert Senior en Bert Junior zijn allebeide reeds aan de overzijde. In de huidige jaartelling zijn we aangeland op 2023, van ons drieën ben ik nu nog de enige levende Bert. De andere twee zullen niet herrijzen uit hun graf. Ik ben 74 jaar, ik ga staan nu het nog kan.

Ik sta hier als Bert, de zoon van Bram en Riek. Abraham was een Fries en Henderika Egberdina Dik was een Amsterdamse. Mijn moeder staat in de coulissen achter mij, maar u ziet haar niet. Mijn moeder is overleden in 2001, maar nog altijd bij me. Vader is sinds 1957 dood. Ik ben de jongste van mijn generatie.

Bert Bakker senior

Onlangs verscheen bij uitgeverij Frysk en Frij een digitale uitgave van de verzamelde verzen van mijn neef Bert Bakker. Het gaat om deze drie bundels: Au revoir, Reizigers en Quatre mains. Als uitgever bij Bert Bakker/Daamen had hij veel succes met de reeks Ooievaar Pockets. Bakker was van 1950 tot 1964 gehuwd met Victorine Hefting. Hij is de zoon van de oudste en jonggestorven broer van mijn vader, oom Sjoerds Popke (1897-1924). Bert sr. (1912 -1969) was een dichter, prozaschrijver en uitgever. Hij was oprichter van Uitgeverij Bert Bakker en van het literaire tijdschrift Maatstaf. Ik heb hem niet gekend, maar mijn achterneef Bert Bakker jr. (1942-2022), die hem opvolgde, wel. Het inspireerde mij jaren later tot het schrijven van De uitgeverij.

Bert senior was iets jonger dan mijn moeder. Het verhaal gaat dat hij zijn auteurs niet liet aanmodderen, hij zocht ze op en spoorde ze aan. Bert deed een fles jenever in zijn tas en sprong op zijn motor. Dat zou de schrijver leren!  Op een dag had hij een bezoek gebracht aan een aarzelende en talmende auteur in Groningen. Hij legde hem het vuur aan de schenen en hielp hem ter plekke van alle hindernissen af. Ze werden dronken. Op de terugweg kreeg hij het koud en had hij honger. Hij reed langs mijn moeder, die gelukkig getrouwd met zijn oom Bram in Assen woonde. Daar stalde hij de motor op de stoep en begon met zijn dronken kop om mijn moeder te roepen. Mijn ouders moesten daar hartelijk om lachen, ze sommeerden hem om op te krassen, maar ze deden niet open…

Bert deed aanvankelijk redactiewerk bij Zomer en Keuning in Wageningen en was enige tijd journalist. Naast poëzie en romans schreef hij ook kinderboeken. Als antirevolutionair tijdens WO II in het verzet en betrokken bij Vrij Nederland. Hij is één van de 100 bekende Leeuwarders. Na de oorlog is hij uitgever van Bert Bakker/Daamen N.V., waar hij het initiatief nam voor de overwegend literaire Ooievaarreeks, waarin veel poëzie verscheen.  Hij was ook oprichter en redacteur van het tijdschrift Maatstaf (sinds 1953). Tot auteurs behoorden Marga Minco, Martinus Nijhoff en Gerrit Achterberg.

Oorspronkelijk schreef Bakker zelf protestants-christelijke gedichten, o.m. voor het tijdschrift De Gemeenschap, maar na de oorlog evolueerde hij steeds meer in socialistisch-humanitaire richting. Behalve poëzie schreef hij ook enkele, weinig positief beoordeelde romans: Drijfzand (1935) en Ieder is alleen (1937). Aan talent geen gebrek? Sommigen dachten er anders over. Ik heb in de bijlage twee recensies toegevoegd. (1)

Bert Bakker junior

In besloten kring werd in Amsterdam, in januari 2023 afscheid genomen van Bert Bakker jr. (1942 – 2022) die op 14 december overleed. Hij was neef van de oude Bert (1912 – 1969) achterneef van mijn vader (Abraham 1896 – 1957) en van mij. In 1969 werd Bert Bakker jr. uitgever bij Bert Bakker. Onder zijn leiding werd in de jaren zeventig uitgeverij Contact overgenomen, de uitgever van onder meer het dagboek van Anne Frank. Contact werd in 1984 afgestoten en meegegeven aan vertrekkend hoofdredacteur Harko Keijzer. Zowel Harko als Bert heb ik eind jaren ’70 ontmoet. Ik kwam toen bij de uitgeverij om mijn idee over Een Groot Inrichtingen boek te vertellen. 

Ik was medeoprichter en redacteur van de Gekkenkrant. Het was tijd voor iets nieuws. Er was in de jaren 70 dankzij de Gekkenbeweging verandering gekomen in de institutionele psychiatrie, maar de ideeën in de psychiatrie veranderden niet wezenlijk: de menselijke machine haperde, er zaten draden los, er was iets stuk aan mensen en dat kon van buitenaf gerepareerd worden (met pillen, toediening van stroomstoten, opsluiting & isolatie). Ik wilde in mijn boek iets anders laten zien: hoe sociale bewegingen van invloed konden zijn op de beroepsuitoefening binnen professionele kaders. Bert jr. luisterde, knikte, waarschuwde zijn secretaresse, die had een contract bij zich, Bert tekende het en zei:

 ‘Ik ben benieuwd’. 

Daarmee werd hij mijn ideale uitgever, betrokken, hulpvaardig en vooral: aardig. Het boek is er uiteindelijk niet in die vorm gekomen omdat ik een beurs kreeg van ZWO (Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek). Bij uitgeverij De Horstink verscheen in 1982 een Dic-map (nr 90) Psychiatrie is geen kunst. Met collega Mathieu Karel aan de Universiteit van Amsterdam, maakten we een selectie uit de berg artikelen die in die tijd over de geïnstitutionaliseerde zorg verscheen, deze selectie werd teruggekoppeld naar deelnemers in de Gekkenbeweging, de discussie erover werd weer opgenomen in dezelfde Dic-map. Tevens publiceerden we een analyse van dit soort bewegingen in het tijdschrift Beleid en Maatschappij (Bijlage 2)

Het is wonderlijk en onverdiend hoe weinig je nu terugvindt van Bert Bakker jr. Zijn uitgeverij was in de jaren zeventig onderdeel geworden van het Kluwer-concern. Tegenvallende verkopen dwongen hem om zijn bedrijf in 1992 onder te brengen bij de Meulenhoffgroep. Daar werd de uitgeverij Bert Bakker ondergebracht bij Prometheus.  Zo kwam de uitgeverij in handen van Mai Spijkers, de oud redacteur die bij Bert junior weg was gegaan om voor zichzelf te beginnen. Toen nog een broekje die bij de familie Bakker leerde hoe hij met mes en vork moest eten. Veel van ‘zijn succesvolle’ uitgaven zijn voortzettingen van reeksen (Geschiedenis bijvoorbeeld) die Bakker ontwikkelde. Er verschenen later onder de zogenaamde imprint Bert Bakker sporadisch en enkel nog non-fictie boeken. De uitgeversnaam Bert Bakker is nu nauwelijks nog in gebruik… Waarom eigenlijk niet? Bert Bakker was een uitgeverij met een grote naamsbekendheid. Het blijft gek, waar ik ook kom wordt me gevraagd. 

‘Familie van de uitgever?’ 

In een interview, in 1982, zegt Bert jr. dat je na je 40ste geen goede uitgever meer kan zijn omdat je dan het gevoel voor de tijdgeest, je creativiteit kwijt bent. Onzin, lijkt mij, dat is niet aan leeftijden gebonden, dat heb je of dat heb je niet. Als je het niet hebt of kwijt bent, dan is het verstandig om aanhanger te worden van het suboptimale. Dat leert de moderne tijd. Zelfkastijding is nergens voor nodig. Je hoeft helemaal niet te streven naar een optimum. Mensen hebben geleerd om met voorlopige versies te werken: versie éen punt nul, versie twee punt vier. Geen probleem, de volgende versie is beter. Word zelf ook de betere versie van jezelf, maar verlang geen volmaaktheid.  De energie die gevraagd wordt voor een optimum is veel meer dan het gemak waarmee een redelijk resultaat kan worden bereikt. Pak je voordeel. De suboptimalen zijn misschien te vroeg tevreden en halen geen optimum, maar zij staan dichter bij hun geluk. Hierbij komt het verschil tussen de oude Bert en de jonge Bert naar voren: de oude Bert was nooit tevreden, en hij was ook rusteloos en mateloos. Was hij de ideale versie van zichzelf`? Hij dronk te veel, ging naar de hoeren, hield van Bach als een varken, kende de Matthäus Passion uit zijn hoofd, hij verloochende zijn god, hij werd aangenomen in vergiffenis. Hij schreef en was een groot uitgever. Bingo, dat is echt geluk. Die combinatie, dat lukt niet iedereen. 

Bert junior was een zorgvuldige Stellvertreter, een gematigde tussenpaus. Hij hield van boeken, kon goed rekenen, hij ruimde achterstallig onderhoud op, zorgde voor de pensioen inkomsten van het personeel, zocht rusteloos naar overlevingskansen voor een oude uitgeverij. Een optimum zat er wat dat betreft voor hem niet in, hij haalde eruit wat erin zat (In bijlage 3 verwijs ik naar het interview van Hanneke Wijgh).

De Uitgeverij

U heeft altijd al een boek willen schrijven, maar u bent er om allerlei redenen nooit toe gekomen? Misschien geloofde u er niet in, werd u te weinig gestimuleerd, wist u niet hoe u het moest aanpakken? Leopold Beer, telg uit een geslacht van uitgevers, wil ook schrijver worden, maar door drukte op de zaak, komt hij er niet toe. Hij wordt constant afgeleid en…

Daar kan ik natuurlijk meer over te vertellen, maar dat kunt u ook. U lijkt in veel opzichten op Leopold Beer: u kunt schrijven, maar u wordt niet aangemoedigd om er verder mee te gaan. Uw ervaringen en onderwerpen zijn interessant, toch durft u ze niet aan het papier toe te vertrouwen. Waarom niet?

Het leven van uitgever Leopold Beer verandert ingrijpend als hij tijdens een boekpresentatie ondervraagd wordt door microfoonmeisje Monique. Zijn leven, zijn werk in de uitgeverij neemt daarna een beslissende wending. Hij heeft het echter nog drukker dan voorheen. Zal Leopold Beer ooit toekomen aan zijn baanbrekende bestseller? Dat hoef ik u niet te vertellen, u kent het probleem, dat weet u zelf wel…

Dat staat op de cover van De Uitgeverij. Ik schreef de roman in 2013. Ik zat in een masterclass van Inge Schouten bij de Arbeiderspers en ik had verschillende ideeën en plannen, maar dit verscheen als vanzelf op mijn beeldscherm. Het kwam door de entourage op de Herengracht, door de gastvrije ontvangst van uitgever Lex Jansen. Ik dacht wel aan mijn Bert sr. en jr., maar uitgever Leopold Beer kwam uit zichzelf naar mij toe. Alle Bakkers kunnen drinken, maar zuipen zoals Beer, daar konden ze niet aan tippen. Beer kan de uitgeverij niet meer alleen runnen, maar hij slaat zich er doorheen met goede hulp van zijn moeder en zijn redactie, zijn kleine kring van getrouwen. Of Leopold B. een groot schrijver is moet nog blijken, zijn uitgeverij bleef springlevend, dat wel.

Nu ik hier toch voor u sta in dit televisie spel, ik ben niet in mijn eentje, we zijn met z’n drieën. De Bakkers, en ik verklap het maar, zijn rijk getalenteerd, van alle markten thuis. Ook privé zijn er weer verschillende Bakkers: de Fries, de Amsterdammer, de schrijver, de uitgever, de schaatser, de echtgenoot, vader, de drinker, net als bij die twee andere Berten. Ook zij hadden verschillende ikken. 

Meerdere persoonlijkheden klinkt misschien gek, ik zie het als een probleem van coördinatie: wie heeft de beurt, wie krijgt voorrang. Of, zoals in dit spelletje op de nationale verrekijk: wie mag gaan staan en kan zijn zegje doen?

Onlangs werd mijn In gesprek met mijn moeder gepubliceerd (Uitgeverij Frysk & Frij 2023) en daarin schreef ik: 

‘Het is nooit opgehelderd of mijn betovergrootvader verwekt of geboren werd op het biljart van café Poepjes in Langweer’. Hartelijk gelach en daarmee was de kous af. Na het verschijnen van het boek van Toni Boumans Je mag wel bang zijn maar niet laf ging ik op zoek naar de relatie tussen mijn gezin en de rest van de familie Bakker. 

Vooral de positie van mijn moeder begon me toen te intrigeren. Er is wel een complete weergave van de familie stamboom, die is wijdvertakt. De afstand tussen mij als jongste van de éen na jongste uit de grote Bakker-Althuisius familie is groot. Dat gold ook voor mijn jonge moeder. Zij verloor na de dood van mijn vader al vroeg het contact. Ik heb geen gezichten bij de Bakkers, ik heb ze nauwelijks ontmoet. Ik zocht mijn uitweg in het labyrint, maar mijn twee Berten spraken altijd tot mijn verbeelding, met hen wilde ik wel familie zijn. 

In de verhalenbundel Ien mei de dingen (Friese Pers Boekerij, 2009) heb ik een eigen familie gecreëerd. Ik neem lezers mee op avontuur in het Friese Gaasterland met Pier Perfect, Oane, Witte Willem, The Daltons, jonkheer Althusius (met éen i), de jonkvrouw en het kooikerhondje Tammie. Steeds weer, vanaf 2003, borrelen er nieuwe verhalen op zodra ik in Friesland kom en er zijn nu 23 verhalen. Ik hoop dat dat zo blijft.

Sinds kort ben ik echter stamhouder van de familie Bakker-Althuisius. Dit is nieuw. Stamhouder als de jongste van een generatie van zevenenvijftig kleinkinderen en daarbij ben ik ook in het bezit gesteld van de Statenbijbel, de bijbel van Popke Sjoerds en Dieuwke. Yteke Waterbolk, weduwe van Bert jr. overhandigde mij deze bijbel, zes kilo zwaar, met het daarbij behorende stamhouderschap. Ik ben vereerd met een nieuwe taak. Mijn positie en mijn deelname is daarmee veranderd. Sinds deze overdracht heb ik er familie bij. Mijn moeder klapt in de coulissen. Ze is blij voor me. 

‘Mooi zo’, roept ze ‘goed gedaan’. 

Amsterdam, Warns, december 2023

Bijlagen

(1) Twee recensies:

Bert Bakker, Drijfzand. Amsterdam, H.A. van Bottenburg, 1935. Voor den lezer is er aan dit romandebuut van den jongen dichter Bert Bakker, vreezen wij, weinig aantrekkelijks, maar voor uw kritikus heeft het een zekere charme, omdat het zoo’n door en door ‘jong’, onbeholpen en onbehouwen werk is. Vroeger – ach, men wordt soms wel gedwongen een seniele laudator temporis acti te zijn! – zou een dergelijk romannetje zeker geen uitgever gevonden hebben; het zou in wat blauwe schoolschriften, tot een bundeltje verpakt, in een donkere kast of op een stoffigen zolder zijn gedeponeerd. En wij vermoeden, dat de auteur er later met minder ‘gemengde gevoelens’ aan zal hebben teruggedacht dan straks met Bert Bakker het geval zal zijn, wanneer hij voldoende ‘afstand’ zal hebben verkregen tusschen zich en zijn geesteskind. Het zal hem dan niet langer verheugen, dat ‘Drijfzand’ op zijn naam staat, waarin hij zoo gevaarlijk kwistig met autobiografische notities is geweest.Wat Bakker zich in dit boek van het lijf heeft willen schrijven had hij in een pregnante novelle van een dozijn bladzijden kunnen doen en hij zou[p. 432] dan duidelijker dan nu bemerkt hebben, hoe zwak zijn psychologische uitbeelding nog is en hoezeer hij nog alles te leeren heeft van het ‘vak’. Nu heeft hij den hachelijken roep achter zich van ‘een roman’ te hebben geschreven; maar wij houden ons hart vast voor den tweeden roman en voor den derden, als Bakker niet serieuzer werken gaat, want in de uitgeverijen van den kring, waarin de schrijver zich bij voorkeur beweegt, is het litterair ijkmerk nog altijd zeer weinig in tel, zoodat het afzetgebied voor zijn werk niet bedreigd wordt door een gemis aan kwaliteit. Roel Houwink In: Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 46 (1936)

Ieder is alleen, door Bert Bakker. Uitg. Mij. Holland, Amsterdam. Bert Bakker is bij voorkeur plastisch. ‘Hij trok Eke met beide handen naar zich toe. Hij wrong zijn hoofd tot onder haar arm. Hij ademde de vertrouwde geur, die aan haar was; de geur van haar lichaam. Die ademde hij diep in’. (pag. 67). Zelfs heeft hij daarbij oog voor het visioenaire; ‘Ze trok de lucht, die haar omgaf, die haar tot verstikking wilde brengen, die lucht, die zwijgende, treiterende lucht, aan flarden. Haar vingers haakten er zich in vast. Ze trok de lucht mee omlaag. Die viel haar als een zware deken op het lijf’ (pag. 127) Hiermee zijn de polen van Bakkers boek gegeven: het volstrekt nonsensicale en het volstrekt smakeloze. Het zou den schrijver bijzonder dienstig zijn als hij voorlopig er zich toe bepaalde eenvoudigweg te leren schrijven, d.w.z. er enige notie van trachtte te krijgen hoe de taal gehanteerd moet worden; als hij daarbij een paar jaar studeerde om z’n lagere-schoolkennis op te frissen en aan te vullen, en tenslotte na lang ploeteren met een nieuw boek kwam. Dan kon er misschien een slechte recensie op zijn werk verschijnen die er ernst mee maakte. Hij moet overigens niet denken dat hij een boek als dit maar straffeloos kan publiceren. Mijns inziens heeft Bakker zich met dit gebazel als auteur volstrekt onmogelijk gemaakt. P. v.d. Hoeven In: Opwaartsche wegen. Jaargang 16 (1938 – 1939)

(2) Ik wilde in mijn boek iets anders laten zien: hoe sociale bewegingen van invloed konden zijn op de beroepsuitoefening binnen professionele kaders:

B. Bakker en M. Karel, Zelfhulpgroepen: eigen voorzieningen in de verzorgingsstaat, Beleid en Maatschappij Vol. 8 nr 1. (1981)

 (3) Uitgever is net een mens, hij kijft en maakt ruzie

Hanneke Wijgh In: Trouw 11 februari 1993 (Interview met Bert Bakker jr.)

https://www.trouw.nl/home/uitgever-is-net-een-mens-hij-kijft-en-maakt-ruzie~bcf8112b/

(4) Casper Leest. In: boekbladleestblogspot.com 15 juli 2013

 (Caspar leest: ‘De Uitgeverij’ door Bert Bakker)