(Aan het woord is Pier Perfect, zeiler, kunstenaar. Hij maakt deel uit van de personages uit Gods zegen rust op deze akkers,een feuilleton. Veertien afleveringen verschenen in Ien mei de dingen (Noordboek 2009) en in vervolg daarop er verschenen afleveringen in de gedrukte versie van Ensafh (www.Ensafh.nl). Dit is de 23ste aflevering. Avonturen met, Pier Perfect, Oane, Witte Willem, The Daltons, Jonkheer Althusius, de jonkvrouw en het kooikerhondje Tammie.)

Een nietsnut

Vroeger had ik een Vaurien, een kleine zeilboot. Ik dacht dat het Deugniet betekende en zo had ik hem genoemd. Tot mijn schande had ik het bootje achtergelaten. Toen ik naar de kunstacademie ging, had ik er geen tijd voor en zat ik in Amsterdam. De Deugniet had aan de Luts bij Wyldemerk gelegen. Vandaar ging ik de Morra op.  Ik liet het bootje achter op een boerderij, eigenlijk liet alles achter me wat van waarde was en dreef ik af naar luchtkastelen en overdreven poeha. Ik kunstenaar? Een kaalgeplukte kalkoen dat was ik. Wat je al niet kunt worden in De Grote Stad. Niemand heeft er zicht op en je moet het zelf uitzoeken.’ 

‘Nou, na een jaar of drie had ik niets meer in de randstad te zoeken. Ik ging snellopend, liftend, alsof ik de duivel op mijn hielen had, in een rechte lijn, door een kaal landschap met rechtgetrokken sporen in oeverloze akkers, langs rijen waaibomen, langs sloten, windmolens en dijken terug naar het noorden, terug naar Gaasterland, het landschap van mijn jeugd. Ik vluchtte weg, op zoek naar dingen van waarde, naar mensen waar ik van kon houden, die van mij konden houden, naar vergezichten, naar regen die in je gezicht striemt, naar beschutting in de rietkraag, naar de plek waar ik mijn Deugniet op de wal had getrokken en hem alleen achter had gelaten. Ik wou alles terug, maar ik was een zieke hond. Ik haalde het maar net en werd aan de kant van de weg gevonden, een uitgewoonde junk. Een nietsnutniets van enige waarde, dat was ik.’ 

Mijn geestelijke toestand was ernstig, lichamelijk was het slecht met me gesteld. Ik was een wrak. Ik moest weer opnieuw beginnen, terug naar waar ik vandaan kwam en dan moest ik doorzetten. Waarom wist ik niet, maar zo moest het. Veel kan ik er verder ook niet over zeggen. Ik keerde terug op een oud spoor. Zo gaan die dingen, dat weten de meeste mensen zelf wel, daar hoef je niet te lang over uit te wijden. Waartoe dient dat? Laten zien dat je verder kunt, dat je uit een dal naar boven kunt komen, dat is interessant. In de goot liggen is éen ding, je herrijzenis daar gaat het om. 

Ik werd uit de goot gehaald door Oane, de jachtopziener bij jonkheer en jonkvrouw Althusius. Ik werd bij hen opgenomen als een verloren zoon. Ze snapten dat ik tijd nodig had om bij te komen, ik kwam in dienst bij Oane. Ik werd houtvester, boswachter. Ik zorgde voor de eendenkooi. Ik trok met Oane het gehele jachtgebied door. We hielden de stand van het wild en de vogels bij. Oane kende het gebied als zijn broekzak. Ik werd nog wel achtervolgd door angsten, maar geleidelijk aan ging het beter met me, ik at goed, ik kwam aan en maakte lange nachten. Ik voelde me er thuis. 

Althusius fietste geregeld over het landgoed, hij hield alles in de gaten, maar meestal zat ie te telefoneren, want hij was advocaat en deed asielzaken. Bij dat soort zaken fietste hij nog meer rondjes en kletste hij nog luider in zijn apparaat alsof hij de enige was waar ze heil van konden verwachten. Maar hij was er succesvol in en dat kan ik bevestigen. Vanaf het moment dat ik op de Pauwenhof werd aangenomen, knapte ik op. Ik hervond mijn gezondheid, mijn kracht. Ik stond droog, ik was clean. Ik rookte nog weleens een joint met Oane maar zonder tabak en volledig éen met de dingen, met het verleden, de toekomst, maar vooral het nu. Het verrijkte me en verdiepte mijn inzicht in het heden. Ik begreep beter hoe de vork in de steel zat en ook dat ik er niet te veel hooi op moest nemen.

Op een dag onderbrak Althusius zijn fietsronde, hij stapte af, drukte zijn telefoon op stil, hield me staande en zei:

‘Je hebt mensen die hun hele leven bezig zijn om van een slechte toestand in een iets betere te komen. Je hebt mensen die het redelijk goed hebben, die niet zullen stoppen tot het moment dat ze het nog beter hebben en dat bereiken ze nooit, want wat beter is, verschuift steeds en ze kunnen er niet bij… Je hebt ook mensen, zoals wij, die in een paradijselijke toestand verkeren, die daar volledig van genieten. Deze groep is maar klein, veel meer hoeft niet. Beter kan altijd, maar dat is een extra en niet direct nodig.’  Ik zweeg en wachtte op het vervolg.

‘Zeg Pier hoe is dat eigenlijk met dat zeilbootje van je. Je hebt het hierheen gehaald, maar veel heb je er nog niet aan gedaan…’. 

Ik sloeg mijn ogen neer. Hij had me bij m’n taas. Ik kon geen woord uit mijn keel krijgen. Ik had er nog niets aan gedaan omdat ik ’s nachts soms zwetend wakker werd van angst, dat ik geen adem kon krijgen en bezig was om te verdrinken. Ik had een enorme angst voor water gekregen. Panisch werd ik ervan. Waar dat vandaan kwam weet ik niet, maar dat laat zich makkelijk raden. Als ik mijn bootje zag, verstijfde ik van schrik en was ik bang om te verzuipen. Ik kon zwemmen, zeker, geen probleem. Als ik vroeger om lag met de Deugniet, bleef ik gewoon bij de boot. Ik had een zwemvest aan en ik was er handig in geworden om hem overeind te trekken. Ik zette de zelf-lozers open, ging op het zwaard staan, ik propte een oude dweil in de zwaardkast en trok hem met ruime wind zo weer overeind. Maar, zulke watervrees als ik nu had, kende ik niet en ik durfde niet aan mijn boot te beginnen.

Uiteindelijk heeft Oane me in twee lessen bijgebracht hoe ik me zelf drijvend kon houden en hij leerde me zwemmen. Wat moet ik daar nog over zeggen? Het is geboekstaafd, de mensen weten dat zelf wel. Om kort te gaan, ik was er doorheen, ik kende geen angst meer. Althusius had gelijk. Waarom begon ik er niet aan?

‘Neem de tijd,’ zei hij, ‘ik heb ernaar gekeken, eenvoudig is het niet, je moet een beetje geluk hebben, maar je krijgt hem weer drijvende. Kijk naar je zelf, met jou gaat het ook een stuk beter.’ Toen sloeg hij me vaderlijk op mijn schouder.

‘Fijn dat je er bent, je bent een geschikte kerel.’ Weg was ie weer op de fiets met zijn telefoon.

Toen ik mijn oude zeilbootje goed bekeek, zag ik dat hij eerder te droog was dan te nat. Hij was zo lek als een mandje en je kon er dwars doorheen kijken. Gelukkig had ik mijn Deugniet omgekeerd op autobanden gelegd en er een dekkleed over gegooid. Het houtfineer had hier en daar losgelaten. Het geraamte was nog goed. Een gebroken mast, ook die zou ik kunnen maken. Het was te repareren, het was de moeite waard. Ik was er klaar voor. 

Toen daalde ik diep af in mijn herinneringen en toen zag ik weer hoe we bij Veere in een wedstrijd zaten. Mijn fokkenist was een aardige jongen wiens naam ik vergeten ben. Ik noemde hem Fok, hij noemde mij Stuur. Waarom ben ik hem uit het oog verloren? Nooit had ik wedstrijd gezeild met iemand die precies wist wat te doen en die met mij meekeek naar de wind en de keuze van de rakken. We wonnen drie wedstrijden op rij, zonder veel te overleggen, twee op zaterdag, éen op zondag, nauwelijks geslapen, op van de zenuwen, ik had geen eelt meer op mijn handen. Stormachtig weer, korte golfslag. Fok hinnikte als een paard van de kou, we waren kletsnat, de Deugniet bleef droog dankzij de zelf-lozers, modern voor die tijd. 

Soms in hoge snelheid kwam hij zelfs even boven het water uit, alsof we erover heen scheerden zoals vogels. Wij ketsten als steentjes over het water. We lieten een veld met concurrenten verweesd achter. We krijsten als meeuwen van opwinding. Hoe oud was ik zestien, zeventien? 

Een stormvogel, dat was die boot en die wilde ik terug, ik ben niet sentimenteel, dat heb ik wel afgeleerd. Ik wilde weer zeilen, me laten meenemen door wind en regen! Niks geen sentiment, eerst overleven om te kunnen leven. Moet ik daar nog meer over vertellen? Nee toch, nou dan?

Trossen los!

BB

Warns, 15 augustus 2021

Met dank aan Han van Dijk (Jachthaven de Vrijheid en de Stormvogel, Warns)

In neatnutter

‘Eartiids hie ik in Vaurien, in lytse sylboat. Ik tocht dat it Dogeniet betsjutte en sa hie ik him neamd. Ta myn skande hie ik it boatsje achterlitten. Doe’t ik nei de keunstakadeemje gie, hie ik der gjin tiid foar en siet ik yn Amsterdam. De Dogeniet hie oan de Luts by Wyldemerk lein. Dêrwei gie ik de Morra op. Ik liet it boatsje achter op in pleats, eins liet ik alles achter my wat fan wearde wie en dreau ik ôf nei loftkastielen en oerdreaune poeha. Ik keunstner? In kealplôke kalkoen, dat wie ik. Wat je al net wurde kinne yn De Grutte Stêd. Nimmen hat der sicht op en moast it sels útsykje.’

‘No, nei in jier as trije hie ik neat mear yn de Rânestêd te sykjen. Ik gie hurd rinnend, liftend, as siet de duvel my achternei, yn in rjochte line, troch in keal lânskip mei rjocht lutsen spoaren yn ikkers sûnder iggen, lâns rigen waaibeammen, lâns sleatten, wynmolens en diken werom nei it noarden, werom nei Gaasterlân, it lânskip fan myn jeugd. Ik flechte, sykjend nei dingen fan wearde, nei minsken dêr’t ik fan hâlde koe, dy’t fan my hâlde koenen, nei fiergesichten, nei rein dy’t yn je gesicht snijt, nei beskutting yn de reidkraach, nei it plak dêr’t ik myn Dogeniet op’ e wâl lutsen en him allinne achterlitten hie. Ik woe alles werom, mar ik wie in sike hûn. Ik helle it mar krekt en waard oan’ e kant fan de dyk fûn, in útwenne junk. In neatnutter, neat fan wearde, dat wie ik.’

Myn geastlike tastân wie earnstich, lichaamlik wie it min mei my. Ik wie in wrak. Ik moast wer opnij begjinne, werom nei wêr’t ik wei kaam en dan moast ik trochsette. Wêrom wist ik net, mar sa moast it. In protte kin ik der fierder ek net oer sizze. Ik kearde werom op in âld spoar. Sa geane dy dingen, dat witte de measte minsken sels wol, dat hoege je net breed út te mjitten. Wêrta tsjinnet dat? Sjen litte dat je fierder kinne, dat je út in dal nei boppe komme kinne, dat is ynteressant. Yn de goate lizze is ien ding, ta nij libben komme, dêr giet it om.

Ik waard út de goate helle troch Oane, de jachtopsjenner by jonkhear en jonkfrou Althusius. Ik waard by harren opnommen as in ferlerne soan. Se snapten dat ik tiid nedich hie om by te kommen, ik kaam yn tsjinst by Oane. Ik waard houtfester, boskwachter. Ik soarge foar de einekoai. Ik luts mei Oane it hele jachtgebiet troch. Wy hâlden de wyldstân en de fûgels by. Oane koe it gebiet as syn broeksbûse. Ik waard noch wol efterfolge troch eangsten, mar stadichoan gie it better mei my, ik iet goed, ik waard steviger en makke lange nachten. Ik fielde my der thús. 

Althusius fytste geregeld oer it bûten, hy hold alles yn’ e gaten, mar meastal siet er te beljen, want hy wie advokaat en die asyl saken. By sokke saken fytste er noch mear rûntsjes en kletste er noch lûder yn syn apparaat as soe er de iennige wêze wêr’t se heil fan ferwachtsje koenen. Mar hy wie der suksesfol yn en dat kin ik befêstigje. Fan it momint ôf dat ik op de Pauwenhof oannommen waard, knapte ik op. Ik fûn myn sûnens wer, myn krêft. Ik stie drûch, ik wie clean. Ik rookte noch wol es in joint mei Oane mar sûnder tabak en folslein ien mei de dingen, mei it ferline, de takomst, mar foaral it no. It ferrike my en ferdjippe myn ynsicht yn de notiid. Ik snapte better hoe’t de foarke yn’ e stâle siet en ek dat ik der net tefolle hea op nimme moast.

Op in dei ûnderbruts Althusius syn rûntsje fytsen, hy stapte ôf, drukte syn telefoan op stil, hold my oan en sei:

‘Hast minsken dy’t har hiele libben dwaande binne om fan in minne tastân yn in wat bettere te kommen. Hast minsken dy’t it reedlik goed ha, dy’t net ophâlde sille oant it momint dat se it noch better ha en dat berikke se nea, want wat better is, ferskoot hieltyd en se kinne der net by….Hast ek minsken, lykas wy, dy’t yn in paradyslike tastân ferkeare, dy’t dêr folslein fan genietsje. Dizze groep is mar lyts, folle mear hoecht net. Better kin altyd, mar dat is in ekstra en net direkt nedich.’ Ik swijde en wachte op it ferfolch.

‘Sis Pier, hoe is dat eins mei dat sylboatsje fan dy. Hast it hjir hinne helle, mar in protte hast der noch net oan dien…’.

Ik sloech de eagen del. Hy hie my te pakken. Ik koe gjin wurd útbringe. Ik hie der noch neat oan dien omdat ik nachts soms swittend wekker waard fan bangens, dat ik gjin siken krije koe en it gefoel hie te fersûpen. Panysk waard ik der fan. Wêr’t dat wei kaam wit ik net, mar dat lit him maklik riede. As ik myn boatsje seach, ferstive ik fan skrik en wie ik bang om te fersûpen. Ik koe swimme, wis, gjin probleem. As ik eartiids om lei mei de Dogeniet, bleau ik gewoan by de boat. Ik hie in swimfest oan en ik wie der handich yn wurden om him oerein te lûken. Ik liet it wetter der út rinne, gie op it swurd stean, ik proppe in âlde dweil yn de swurdkast en luts him mei romme wyn sa wer oerein. Mar, dy wetterfrees dy’t ik no hie, koe ik net en ik doarde net oan myn boat te begjinnen.

Uteinlik hat Oane my yn twa lessen bybrocht hoe’t ik my sels driuwend hâlde koe en hy learde my swimmen. Wat moat ik dêr noch oer sizze? It is fêstlein, de minsken witte dat sels wol. Om koart te gean, ik wie der trochhinne, ik koe gjin eangst mear. Althusius hie gelyk. Wêrom begûn ik der net oan?

‘Nim de tiid,’ sei er, ‘ik ha der nei sjoen, ienfâldich is it net, moast in bytsje gelok ha, mar krijst him wer oan it driuwen. Sjoch nei dysels, mei dy giet it ek in stik better.’ Doe sloech er my as in heit op it skouder.

‘Fijn datst der bist, bist in geskikte keardel.’ Fuort wie er wer op de fyts mei syn telefoan.

Doe’t ik myn âld sylboatsje goed beseach, seach ik dat er earder te drûch wie as te wiet. Hy wie sa lek as in tjems en koest der dwers trochhinne sjen. Gelokkich hie ik myn Dogeniet op’ e  kop op autobannen lein en der in dekkleed oerhinne smiten. It finear  wie hjir en der loslitten. It geramte wie noch goed. In brutsen mêst, ek dy soe ik meitsje kinne. It wie wer te meitsjen, it wie de muoite wurdich. Ik wie der klear foar.

Doe dolde ik djip yn myn oantinkens en seach ik wer hoe’t wy by Veere yn in wedstryd sieten. Myn fokkeman wie in aardige jonge waans namme ik fergetten bin. Ik neamde him Fok, hy neamde my Stjoer. Wêrom bin ik him út it each ferlern? Nea hie ik wedstryd syld mei ien dy’t krekt wist wat te dwaan en dy’t mei my mei seach nei de wyn en de kar fan de rakken.  Wy wûnen trije wedstriden op rige, sûnder in protte te oerlizzen, twa op sneon, ien op snein, amper sliept, op fan de senuwen, ik hie gjin yl mear yn’ e hannen. Stoarmich waar, koarte wetterslach. Fok wrinzge as in hynder fan de kjeld, wy wiene dweiltrochwiet. De Dogeniet bleau drûch, troch it wetter dat der automatysk út rûn, modern foar dy tiid.

Soms op hege snelheid, kaam er sels even boppe it wetter út, as skeaten wy der oer hinne lykas fûgels. Wy ketsten as stientsjes oer it wetter. Wy lieten in fjild mei konkurrinten iensum achter. Wy kriten as seefûgels fan opwining. Hoe âld wie ik, sechstjin, santjin?

In stoarmfûgel, dat wie dy boat en dy woe ik werom. Ik bin net sentiminteel, dat ha ik wol ôfleard. Ik woe wer sile, my meinimme litte troch wyn en rein! Neat gjin sentimint, earst oerlibje om libje te kinnen. Moat ik dêr noch mear oer fertelle? Nee dochs, no dan?

Trossen los! 

Oan it wurd is Pier Perfect, siler, keunstner. Hy makket diel út fan de personaazjes út Gods segen rêst op dizze ikkers, in feuilleton. Fjirtjin ôfleveringen ferskynden yn Ien mei de dingen  (Noordboek) en yn ferfolch dêrop  ferskynden ôfleveringen yn Ensafh. Dit is de 23e ôflevering. Aventoeren mei Pier Perfect, Oane, Wite Willem, De Daltons, Jonkhear Althusius, de jonkfrou en it koaiker hûntsje Tammie.