Buitenpost – Op 23 juli 1900 krijgen mijn grootouders Popke Sjoerds Bakker en Dieuwke Durks Althuisius ter gelegenheid van hun vijfentwintigste huwelijks jaar een Statenbijbel (Middelharnis, Flakkeesche Boekdrukkerij, 1895).  Ze krijgen deze van hun zeventien kinderen, waarvan er twee vroeg zijn overleden. Een groot cadeau voor hun zilveren bruiloft. Maar er zit pijn en verdriet in dit heilige schrift. Durk leefde 4 dagen in 1883 en Neeltje werd in 1890 niet veel ouder dan twee maanden. Waar komt een kindje van een dag oud, van twee maanden oud terecht wanneer het sterft? In de vergetelheid, in de hemel, in de hel?

Het enorme boekwerk van minstens zes kilo, een zogenaamde Flakkeesche Bijbel, een herziene Statenvertaling, bewerkt door dr. Abraham Kuiper en anderen. Deze Biblia, dat is ‘de gansche Heilige Schrifture, die alle de Kanonieke Boeken des Ouden en des Nieuwen Testaments’ bevat. Ooit, in vervolg op de uitgave der Staten-overzetting in 1657 bij de weduwe Paulus Aertsz van Ravesteyn uitgekomen, in de toen gangbare taal overgebracht door Dr. A. Kuyper, met medewerking van dr. H. Bavinck en dr. F. L. Rutgers. Voor mij ligt deze versie met volledige kanttekeningen, inhoudsopgaven, platen, kaarten, enzovoorts.

‘Myn druck verlicht’ staat er op het schutblad, maar er zit pijn in deze bijbel die met zwaar gewicht drukt, want Durk (het zesde kind) is op 9 maart 1883 geboren in Langweer en 11 maart overleden en Neeltje (het elfde kind ) is 25 januari 1890 geboren in Buitenpost en 2 april daar overleden.

Alle vijftien dan levende kinderen worden genoemd: Pietertje, Afke, Sjoerd Popke, Idske, Wiebegje, Dirkje, Durk, Albert, Miente, Lammert, Neeltje, Sikke, Hendrik, Abraham (mijn vader) en Paul. 

Op de titelpagina staat een verklaring: ‘Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt dat die kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouders begrepen zijn, zoo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kinschheid uit dit leven wegneemt (Gen. 17. vers 7; Hand. 2. vers 39; 1 Cor. 7. vers 14). Vernoemd wordt ook: De leerregels van Dordrecht, eerste hoofdstuk 17). 

Ter toelichting:

– Genesis 17 vers 7: (En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.)

– 1 Corinthe 7 vers 14: (Want de ongelovige man behoort dankzij zijn vrouw God toe en de ongelovige vrouw dankzij haar man eveneens. Zou dat niet zo zijn, dan zouden uw kinderen onrein zijn. Maar nu zijn ze geheiligd.)

– Handelingen 2. vers 39: (Want dat heeft God beloofd aan jullie, aan jullie kinderen en aan alle volken. Iedereen die door God wordt geroepen, mag de Heilige Geest krijgen.)

– Leerregels van Dordrecht. Eerste hoofdstuk 17: (vertaald in het toenmalige Nederlands: Omdat wij met betrekking tot Gods wil uit Zijn Woord moeten oordelen / een mening moeten vormen, hetwelk getuigt dat kinderen van gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, waarin zij met hun ouders begrepen zijn, daarom moeten godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun kinderen, die God in hun jeugd uit dit leven wegneemt).

Uitleg: Verkiezing en verwerping 

Dominee W. Pieters schrijft op Psalmboek.nl: ‘Het onderwerp in de Dordtse Leerregels hoofdstuk I, artikel 17, dat we nu onder de loep nemen, gaat over de zaligheid van jong stervende kinderen. Ook kinderen kunnen sterven, moeten sterven. Waarom? Dat lezen we in Romeinen 5 vers 12: door de zonde is de dood in de wereld gekomen; en in Romeinen 6 vers 23: het loon op de zonde is de dood.

In het oorspronkelijke artikel 17 lezen we: ‘Naedemael wy van den wille Gods uyt zijn woort moeten oordelen, ’t welck getuycht dat de kinderen der gheloovigen heylich zijn, niet van natueren, maer uyt cracht van ’t genadenverbont, in ’t welcke sy met hare Ouderen begrepen zijn, soo moeten de Godsalighe Ouders niet twijffelen aen de Verkiesinghe ende salicheyt harer kinderen, welcke Godt in hare kints-heyt uyt dit leven wech neemt.’

Dominee Pieters: ‘De remonstrantse tegenstanders van de Dordtse Synode strooiden overal in het land de leugen rond dat de leer van verkiezing en verwerping onder andere dit inhield, dat zuigelingen van nog maar een paar dagen oud in het helse vuur zouden terechtkomen bij het sterven. De Remonstranten lasterden de Bijbelse leer, en daarom moeten onze vaderen er iets over zeggen. Waar komt een kindje van een dag terecht, wanneer het sterft? In de hemel of in de hel? Om een antwoord op deze vraag te vinden, moeten we zoeken in het onfeilbare Woord van God. Immers, Hij alleen weet het, en dus ook Hij alleen kan het ons bekendmaken.’ 

Wat zegt de Bijbel hierover? Niets, tenminste, niet direct. In artikel 17 kunnen de leden van de Dordtse Synode geen Bijbeltekst citeren waar iets staat als: wanneer een zuigeling sterft, zal het eeuwig zalig zijn ... Ook niet een tekst als: wanneer een klein kind sterft, zal het voor altoos verloren zijn. Wat onze vaderen op de Dordtse Synode wel konden, was conclusies trekken uit sommige Bijbelgegevens. 

Wat zegt de Bijbel namelijk wél? Dat kinderen van gelovigen heilig zijn. Als dit waar is en waarom niet …, dan kunnen we een gevolgtrekking geven: Dat zowel Durk als Neeltje veilig de hemelpoort zijn binnengegaan. Maar of mijn grootouders daar gerust op waren, blijft de vraag.

Bert Bakker (1949), zoon van Abraham (nummer 14)