Ter gelegenheid van het tweede lustrum van Huis de Pinto:

Een vreemde vogel in de buurt

14 maart 2024 – We kennen elkaar niet, maar toch zou ik voor u een vertrouwd beeld in het stadsgewoel moeten zijn. Het is druk in de stad, er wordt gebouwd, overal zijn wegomleggingen, ik weet het. Ik kom in het centrum en de wijken erom heen. Hindernissen, ik probeer ze zoveel mogelijk te mijden. Op de fiets draag ik vaak een hoodie. Ik heb mijn telefoon in de hand en buig vaak voorover om erop te kijken, zodat de mensen mijn gezicht misschien niet kunnen zien. Af en toe scheer ik me. Misschien vinden ze me daardoor verdacht. Ik wil niet te veel op de voorgrond, verlegen ben ik niet, maar bescheiden, ik ken mijn plaats. Ik ga niet, zoals mijn vrienden, met veel poeha, voor het grote geld.

‘Een graantje meepikken’, noemden ze dat. Ik heb ze zien gaan, eerst shoppen in de duurste straat, dan op vakantie naar Dubai, vervolgens achter de tralies in de Bijlmer, op Schiphol of in het nieuwe Justitieel complex Zaanstad. Mij hoor je er verder niet over, het is niet mijn ding. Mijn moeder ziet een advocaat in me, mij niet gezien. 

Overal waar ik kom oriënteer ik me met mijn mobiel. Bang ben ik niet. Ik zal niet gauw iemand aanschieten om iets te vragen. Ik zoek erin ‘waar ik ben, waar ik heen moet, als ik iets moet weten’. Misschien zien de mensen me slechts als een schaduw. Verder is natuurlijk alles over me bekend en waar ik ook kom, word ik geregistreerd. Hoeveel camera’s hangen er niet, hoeveel mensen hebben tegenwoordig niet een deurbel met video? Als ik ergens mijn fiets neerzet, of blijf staan om iets op te zoeken, weet ik dat het opgenomen wordt door verschillende camera’s. Soms roepen ze me via hun mobiel en hun deurbel toe om mijn fiets ergens anders neer te zetten. Slim bekeken. Toch lijkt het of ik blijvend omringd word door anonimiteit, maar dat is niet zo. Er wordt op me gelet. Een anoniem veelvuldig geregistreerde, dat ben ik. Nee, we wonen niet in Peking of Moskou, gewoon in Amsterdam. De mensen die me wel kennen, groeten me: 

‘Hamama, hoe is het?’ 

Zo heet ik in het Arabisch. Mijn voornaam is heel Nederlands Aard, die noemen ze niet of zijn ze vergeten. 

Aard Duif is de naam. 

‘Ha mama’, grapje, moederskindje. Vaak kennen ze me nog van school, maar daar ben ik alweer vanaf. De meeste voorbijgangers blijven vreemdelingen voor me en ik blijf vreemdeling voor hen. Toch raar, met al die camera’s en registratie mogelijkheden. Er hoeft zich maar iets in je omgeving af te spelen en je doopzeel wordt gelicht. Dat is me een keer overkomen. 

‘Ha mama!’ Ze lachten me uit toen ze me opgespoord hadden en bij mijn moeder, waar ik woon, aanbelden. Alsof ik geen verdachte kàn zijn. Ik haal mijn schouders op, ik zie mezelf echter niet als iemand die bespioneerd moet worden, ikzelf ben de spion en wat ik zoek kan geen kwaad. Integendeel…

Van alle vreemde vogels in de stad is Duif wel heel speciaal, ik kende hem als iemand die altijd zijn mobiele telefoon bij de hand had. Vaak zei ik in de klas:

‘Telefoons uit.’ 

Een strenge voorwaarde, anders ging de les niet door of iemand ging eruit. Ook Aard, zonder mokken zette hij hem uit, keek nooit stiekem naar zijn berichten. Uit is uit en Duif kon dat. Later ontdekte ik dat hij wel heel handig met zijn mobiel was en er veel op deed, switchen tussen schermen zoals een kind over ijsschotsen een slootje oversteekt. Spelletjes, Googelen, buienradar raadplegen, appen, mailen, een uitzending verzorgen. Alles tegelijk… Hij deed er meer op dan zich te vervelen, of te wachten op berichten die niet komen, of foto’s van zichzelf en anderen delen, of tik tokken, net zoals als kippen. 

Ik geef les in Nederlands. Amsterdam in boeken, zo had ik mijn lessen in de bovenbouw genoemd. Er is geen buurt of er speelt wel een verhaal. Zo ontdekte Aard zijn eigen buurt en zo ging hij ook door andere buurten. Duif deed buurtonderzoek en dat doet hij nog steeds. Niet zomaar, hij zoekt als een voortvluchtige naar verhalen, als een literaire asielzoeker is hij op zoek naar betekenis. Hamama is een opmerkelijke stadsgenoot, mijn beste leerling, al zeg ik het zelf. Hij groeide op in de Nieuwmarktbuurt, maar, het begon in het oosten, in de Sarphatistraat, want in tegenstelling tot wat mensen van jongens met pluizige baarden, donkere kledij en achterdochtige oogopslag denken, Aard is een aardige jongen. Duif is bij de tijd, of liever hij is zijn tijd vooruit. Zijn haar heeft hij grijs geverfd, daardoor ziet hij er veel ouder uit, dan hij is. Hij is zestien, zeventien, maar misschien wel achtentwintig of veertig. De mensen weten het niet.

Hamama is van alle tijden, hij was er al toen Nescio (1882-1961) schreef in de bekende openingsregel: 

‘Jongens waren we, maar aardige jongens’. 

Ook bij hem gaat het om de onschuld en dromen in de jeugd, over een onvermijdelijke overgang. Een overgang niet naar burgerlijke gezapigheid maar naar een gewelddadige toekomst met snel geld. Hij zag zijn vrienden van kwaad naar erger gaan. Aard fietste naar de Sarphatistraat met de zekerheid dat de straat die Nescio de mooiste straat van Europa noemde er slechts éen van tijdelijke schoonheid was, niet tegen te houden in het verval van de hoofdstad, zoals ouderdom niet is tegen te houden, maar het viel reuze mee. Duif zei in zijn bericht tot zijn volgers: 

‘Geen Nederlandse schrijver schrijft zo eenvoudig als Nescio, niemand weet zo beknopt en toch zo doeltreffend te zeggen wat hij zeggen wil. ‘Ze kunnen het niet nadoen’, heeft Nescio zelf wel eens tevreden geconstateerd, ‘ze hebben het vaak genoeg geprobeerd.’  Nescio had de Sarphatistraat passend voor hem gemaakt, op maat, makkelijk bereikbaar. Duif vond het prachtig en hij maakte er zijn eigen verhaal van. Zo begon hij met zijn boodschappen op locatie en hield er niet meer mee op. 

Duif filmde er, maakte een selfie van zijn somber silhouet, sprak zijn volgers toe. Niemand hoefde hem iets te vertellen. Hij zocht naar zijn eigen vergankelijkheid, naar zijn vrienden die op het verkeerde pad waren geraakt, naar zijn vader die niet meer thuis kwam. Bescheiden lispelde hij zijn boodschappen in zijn mobiel. 

Ik volg hem trouw. Een goede leerling blijft bij je, dat is iemand die weet wat hij belangrijk vindt en die kan kiezen. Dat weet Aard als geen ander. Ik volg hem op zijn tochten naar Noord, naar de oostelijke en westelijke eilanden, de Nieuwmarkt en de Joodse buurt, Ruigoord, de Bijlmer en overal waar hij maar gaat, heeft hij een boek, een verhaal als leidraad. Hij ging in de voetsporen van Kees van Beijnum. Hij lag onder het biljart met Constant in het café. Aard had het herkend. Ook Constant was een kleine stille jongen en hield zich afzijdig van de klanten. Samen met hem luisterde naar de gesprekken die de klanten voeren. Ook Aard leerde daar zijn levenslessen. Hij volgde de engel van Geert Mak, hij zwierf over het Bickers eiland van Philip Snijder. Hij sprong er op een ‘dempie’, haalde een nat pak, hield zijn telefoon hoog en deed verslag. Hij volgde Kees de Jongen in de zwembadpas, hij zocht de diamant met De Gebroeders Maxilari van David Pefko.

David Pefko in Huis de Pinto (14 maart 2024)

Romans en verhalen spelen zich ergens af, komen ergens vandaan, zijn op een kaart vindbaar. Soms blijft de oorsprong en de bron onzichtbaar, onopgemerkt. Soms krijgt een verhaal vleugels, maakt het niet meer uit waar het speelt en wordt vergeten waar de oorsprong ligt, dan gaat Hamama op zoek. Alle literatuur is lokaal, in mijn lessen bracht ik het vaak naar voren. Een verhaal ontstaat ergens, het speelt zich altijd ergens af. 

Duif las alle boeken van Pefko en sinds het verschijnen van De Gebroeders Maxilari in 2023 spreekt hij over Nieuw-Zuid. Zijn nieuwe roman speelt zich daar af.

 

Oud-Zuid was de titel van het verhalendebuut van Nicolaas Matsier, de Zuid-As kreeg zijn prozaïsche vorm onder het wethouderschap van Duco Stadig, de term Nieuw-Zuid is een vondst van Aard Duif. Dit zei hij erover in zijn post: 

’De Amstelveenseweg die van noord naar zuid loopt, gaat dwars door dit gebied. Nieuw-Zuid bevindt zich ten zuidwesten van het Vondelpark. De Kostverlorenvaart die overgaat in de Schinkel, begrenst Nieuw-Zuid. De Willemsparkbuurt, de Valeriusbuurt en de Bertelmanpleinbuurt markeren de oostzijde. Misschien mogen Legmeerpleinbuurt en de Aalsmeerbuurt ook aan Nieuw-Zuid toegerekend worden, hoewel die aan de overzijde van de Schinkel liggen. In het zuiden bevindt zich het Stadionplein en omstreken, het IJsbaanpad. De Amstelveenseweg reikt nog verder, naar Buitenveldert, Amstelveen en zo biedt Nieuw-Zuid nog meer perspectief. In Nieuw-Zuid komen verhalen samen van arm en rijk, van groot en klein, van openbaar en verstopt, van voor de deur en achter de voordeur. De as waarom deze verhalen draaien is de Amstelveenseweg.’ Volgens Duif is De Gebroeders Maxilari van David Pefko het epicentrum. 

De Gebroeders Maxilari

Op 14 maart 2024 in Huis de Pinto in Amsterdam was David Pefko te gast. Hij kent de Schinkelbuurt en de Amstelveenseweg uit zijn jeugd. Hij groeide er op samen met zijn broer bij hun alleenstaande moeder. Het is zijn eerste roman die in deze buurt speelt, in een grensgebied. Een buurt met verschillende bewoners, welvarend of schatrijk; niet veel te makken of elke cent die gekeerd moet worden. Aan de kant van het Vondelpark rijk, dichter naar de Amstelveenseweg steeds armer.

Hier woonden de gebroeders Maxilari en hun moeder. Hun huis lag aan de kant van de Saxen-Weimarlaan. Aan de buitenkant zag er sjiek uit. Een huis met hoge ramen aan weerszijden van de ingang, de voordeur in een alkoof, een zwaar gelakte deur van duurzaam hout met daarin een klein getralied deurtje om een leverancier te woord te staan of zoals bij de Maxilari’s om een deurwaarder te bespieden. Hun tuin aan de achterkant gaf zicht de verwaarloosde binnentuinen en sjofele behuizingen aan de Amstelveense weg. Daar had de heer Silbernberg, die een sleutelrol vervult in de roman, zijn winkel. Sierraden, goud, zilver, edelstenen, in- en verkoop, veel heeft zijn winkeltje niet om het lijf. Maar wat niet is, kan nog komen…

Dit zei Aard Duif, zonder al te veel te verklappen, in zijn post: ‘Rond de eeuwwisseling, in een lome zomervakantie laat David Pefko ons kennis maken met de broers Levi en Ze’ev Maxilari, die samen met hun moeder proberen te overleven in Amsterdam-Zuid. Terwijl schuldeisers aanbellen, gas, elektra worden afgesloten en hun moeder haar bed niet meer uit wil komen, dromen de broers over hun toekomst en smeden ze grootse plannen. Als ze een baantje aangeboden krijgen van de juwelier Silbernberg verandert hun vakantie in een verrassend en duister avontuur.’ Vervolgens ging hij nader in op de gegevens van de locatie. ‘Een literaire scheidslijn is geen gebiedsindeling en kan niet scherp getrokken worden, aan de andere kant ontstijgen niet alle romans aan hun omgeving.’ 

Duif leest niet alleen: hij gaat naar de plaats van handeling, reconstrueert gebeurtenissen, speelt scenes na, brengt de boel in kaart. Hij is ook verstandig en tilt de verhalen niet uit hun context. Misschien is hij meer dan een lezer en zou hij zelf zou kunnen schrijven? 

Zo ver is ie nog niet, maar hij geeft De gebroeders Maxilari van David Pefko wel de vleugels die het verdient. Mooi gedaan Hamama!

Als u in het centrum komt of in de buurten erom heen en een wat schuchtere figuur in donkere kledij ziet rondrijden op een oude damesfiets met een mobiel in zijn hand; als hij geregeld stopt, iets inspreekt, iets intoetst of filmt dan zou dat best Aard Duif kunnen zijn, die een nieuw boek over Amsterdam heeft gelezen en daar life verslag over doet.

BB