In gesprek met mijn moeder

Namens útjouwer Frysk en Frij nodig ik u van harte uit voor de boekpresentatie van de Nederlandse editie van In gesprek met mijn moeder. De presentatie vindt plaats in het Amsterdamse Verzetsmuseum op donderdagmiddag 8 juni 2023.

Plantage Kerklaan 61, 1018 CX Amsterdam ( https://www.verzetsmuseum.org ).

De gespreksleider en interviewer is Sanne Tymen van Osnabrugge ( https://www.vanosnabrugge.nl ).

Inloop 16.00 uur, aanvang 16.15, borrel 17.15. 

De directe aanleiding voor In gesprek met mijn moeder was het boek van Toni Boumans Je mag wel bang zijn maar niet laf. Dat mijn familie in de tweede oorlog in het verzet zat, was me bekend. De verhalen werden nog niet eerder zo expliciet bij elkaar gebracht. Vanaf toen realiseerde ik me dat ons gezin deel uitmaakt van de illustere familie Bakker-Althuisius. Als schrijver had ik mijn eigen fictieve Friese familie gecreëerd, ik kon niet meer om mijn herkomst heen. Ik moest met mijn moeder spreken.  

Mijn moeder, de Amsterdamse Riek Dik zat met mijn vijf oudste broers in kamp Vught. Mijn vader Abraham, vernoemd naar Abraham Kuyper, was de éen na laatste telg uit de familie Bakker-Althuisius. Hij weigerde een Joodse collega te vervangen en hij weigerde voor de Duitsers te werken. Hij dook onder en dat was de reden dat mijn moeder met haar kinderen opgepakt werd. 

Mijn vader was een Bakker, die zoals Toni Boumans beschrijft, niet als ‘een losstaand geval’ kan worden bekeken. Hij was lid van de familie waarvan de SD zei dat ze een Privatkrieg met Duitsland voerde. Hij werd na de oorlog in het kader van de Bijzondere Rechtspleging als president van het Tribunaal in Assen aangesteld. Hij was de jurist van de familie en het werd van hem verwacht dat hij deze taak op zich zou nemen. Een enorme klus naast zijn werk als griffier. Zijn tropenjaren. Hij werd geboren in 1896, hij stierf op 14 juni 1957, toen ik 8 jaar was. Moeder was van 1906, net 50 jaar oud, ze was 10 jaar jonger dan hij. Zij overleed in 2001.

Citaten

‘Moeder is overleden. Al meer dan twintig jaar is ze er niet meer, ik ga naar haar toe. Het is vroeg in het voorjaar en, net als in vele afgelopen jaren, is het wel koud maar heeft het nauwelijks gevroren.  Het is nat en tochtig weer. Ik sta voor haar huis in de Zandsteenstraat in ’t Harde. Voor ik aanbel, kijk ik nog even om me heen. In de voortuin staat een conifeer uitgegroeid tot een boom. Het valt me op hoe beschut en droog het bij de stam is. Als ik moet wachten of het wordt slecht weer zou ik er goed kunnen schuilen’. 

‘Toen ze uit Vught kwam en doorreisde naar haar geboortestad, wat zag ze toen de trein binnenliep langs het Muiderpoort. Wat hadden de Nazi’s aangericht, wat was er in haar Amsterdam gebeurd?  Ze moet verbijsterd geweest zijn. Dit weet ik zeker: vanaf toen was het geen dagelijkse pijn, maar een veenbrand van angst en ongenoegen, van twijfel en onzekerheid, van slapeloze nachten’.

‘Zie mijn moeder, ze is jong oud geworden, haar rug is krom, overal heeft ze pijn, ze doorstaat het dapper; ik sta naast haar en ik houd haar hand stevig vast, alsof ik bang ben haar en mijn verleden kwijt te raken’.

U bent van harte welkom. Laat uw komst even weten,

met vriendelijke groet,