Tussen schemering

en dageraad

Madé was zijn snelheid kwijt, de snelheid waarmee kippen hun kuikens in veiligheid brengen. Hij had de elegantie van de eenden verloren. De eenden, die altijd gezamenlijk overleg voerden, die alert en waakzaam op zoek naar eten door het dorp trokken. Het leek wel of hij ook zijn beleefdheid kwijt was, de beleefdheid van honden ten opzichte van de andere dieren. Madé balanceerde als een kat zonder staart en kraaide zoals een haan opgesloten in een mand: zonder functie, iedereen wakker houdend, paniek zaaiend op momenten dat rust het beste is. Madé was ongelukkig: in zijn dorp, in zijn leven. Alles leek tot stilstand gekomen, hij wankelde, hij leefde in een schemertoestand. Boos. Er ging een dreiging van hem uit en zijn dorpsgenoten begonnen hem te mijden. Nog voordat er opgeroepen werd tot gebed, lag hij al geknield in de moskee neer. Hij bad en bad. Maar Madé bad niet, hij beklaagde zich. Allah zweeg.

Twee jaar geleden was hij getrouwd en vorig jaar was ze bij hem weggegaan. Er was schande over zijn familie gekomen. Zijn vrouw was jong en kon het leven in de kampong, het leven in een nieuwe familie, niet aan. Ze kende het drukke bestaan van de mensen en de dieren in dit kleine dorp op Lombok niet. Zij kwam van een hogere kaste en ze was een huis gewend met een muur erom heen. Een huis waarin je je kon terugtrekken, waarin je een eigen kamer had. Hun nieuwe huis had Madé zelf gebouwd. Een klein, genoeglijk huis, maar het voorportaal bleek de doorlopende ontmoetingsplaats van familie. Haar leven was ingevuld van ’s ochtends vroeg tot de zon onderging en ’s nachts huilde ze in bed. Ziek was ze, ongeneeslijk ziek zoals een te vroeg geplukte bloem. Ze ging terug naar haar ouders. Haar vader, een oud legerofficier, kwam zich verontschuldigen. Madé was ontdaan, hij was sprakeloos, hij kon het niet begrijpen. Allah zweeg.

Voor hun huwelijk was hij met de eenden begonnen. Als hij een dagelijkse productie van 100 eieren had, zouden ze ervan kunnen leven. Als een boekhouder had hij een calculatie opgesteld. Hij had de ontwikkeling van zijn project uitgezet in termijnen, zoals een ontwikkelaar dat doet. Madé had doorgeleerd. Hij had op de landbouwschool gezeten. Hij had berekend dat hij in twee jaar 500 eenden kon fokken. Hij kreeg een stuk land van zijn moeder en hij had geld genoeg gespaard voor de hokken en de omheining. Hij had het allemaal bedacht: voor haar, zijn bruid. Madé bedacht altijd alles voor iedereen. Er school een onderwijzer in hem. Met de kinderen van de Moslimschool bouwde hij de fokkerij op. Hij leerde de kinderen geduld te hebben en hij leerde ze hun hoelang het duurde om een bestaan op te bouwen. Geld van anderen wilde hij niet.

    ‘Geld brengt corruptie met zich mee.’

    ‘De kinderen moeten leren om voor de eenden te zorgen. Iets kan pas groeien, als ervoor gezorgd wordt.’ Madé hield van lesgeven en onderwijzen. Hij zou onderwijzer worden. Maar, zijn bruid hield niet van onderwijzers en ze hield ook niet van de eenden. Hun huwelijk liep vast. Madé kreeg geen hulp van boven.

Toen klonken er explosies, ver weg in de wereld en dichtbij. Boos en militant. Madé dacht dat hij daar schuld aan had, dat hij ook een schurk was, dat alle gelovigen schurken waren. Hij raakte in vertwijfeling. Hij wilde goed doen. Allah leek zich tegen hem te keren. Hij bad, nee, hij jammerde. Vijf keer per etmaal.

Zijn vader kwam naar hem toe om over de problemen van het dorp te spreken. De grote stad kwam dichterbij en de vervuiling nam toe. Madé luisterde niet en hij leek zich niet het belang van dit gesprek te realiseren. Zijn dorp had hem nodig. Er waren teveel problemen en de kleine gemeenschap kon het niet aan. Er was miltvuur geconstateerd en in de buurt van de stedelijk vuilstortplaatsen werd al gespoten tegen de malariamug. Dan zouden er ook al insecten zijn die de knokkelkoorts overbrachten. Madé leek zich niet de zorgen van zijn vader te realiseren. Totdat zijn vader kwaad werd en hem toesprak: ‘Jij zwelgt maar in je verdriet en je kijkt niet meer om je heen. Jij die het goede wilde doen, daar zit je nu: zonder bruid met je 500 eenden. Jij denkt dat je alles kwijt ben, maar je ziet niet in dat je je dorpsgenoten van je afstoot. Waarom Madé, zouden zij jou geen geluk gunnen?’ En zijn vader werd bozer: ‘Jij wilde goede doen voor je dorp en voor je vrouw. Jij bepaalde wat het goede was, maar als er iets anders nodig is? Iets dat jij nog niet bedacht hebt?’ Madé wilde weglopen, maar zijn vader hield hem staande: ‘Jij hebt het over corruptie en je minacht je neef die in de politiek ging. Als je iets wilt Madé, dan moet je betalen. Jij betaalt nu met jouw grote verdriet. Maar, jouw verdriet, dat is iets anders dan jouw “goede werken”. Denk daar maar eens over na. Als je iets wilt, Madé, dan moet je betalen. Desnoods met verdriet. Jouw neef heeft moeten betalen om in de politiek te komen. Ons dorp heeft hem nodig en jou Madé, want jij hebt goede plannen. Het dorp wacht op jou Madé. Jij hebt doorgeleerd. Je hangt als slangenarend in de lucht, dreigend, maar jij ziet niks. Je hangt daar maar.’ Woedend liep Madé weg, maar hij onderdrukte zijn tranen, hij snelde weg om alleen te kunnen huilen.

    Die nacht komt er een droom tot hem. Alles is zwart en de vulkaan is boos gaan spuwen. Een asregen daalt neer. In de schemering ziet hij schimmen met bedekte gezichten. Gefluister. Hij is bang. Zijn wereld lijkt te vergaan. Dan is er een plotselinge overgang van zwart naar wit. Een luchtspiegeling? In een duinlandschap trekt een karavaan voorbij met kamelen. Nooit eerder zag hij zulke scherpe beelden. Hij moet zijn ogen toeknijpen. Hij wordt wakker.

Het eerste dat Madé die dag deed, was zijn koe verkopen. Vlak na het vertrek van zijn vrouw, had hij het kalf gekocht, dat als het groot was, kon dienen voor de feestmaaltijd op zijn nieuwe huwelijk. Hij wilde zijn ouders niet op kosten jagen, hij wilde niet ongetrouwd blijven. Nu kon hij met de opbrengst van de koe al de helft van zijn bedevaart betalen. Madé ging naar Mekka.

Vervolgens ging hij naar zijn ouders om het te vertellen. Zijn vader was ontroerd. Zijn zoon, een hadji, de eerste in hun arme familie! Natuurlijk moest Madé gaan. Vader schoot het andere helft van de reis voor. Toen volgden er veertien blijde dagen. Iedereen die maar iets voor Madé voelde, kwam langs. Hij kreeg adviezen en er werd gezamenlijk gebeden ter voorbereiding van zijn grote reis. De reis waarmee hij verlost zou worden van zijn bedrukte stemming. Madé leek te ontwaken uit een lange nare droom. Voor het eerst kreeg hij weer een lach op zijn gezicht. Zijn gezicht werd ronder. Hij schoor zich niet meer. De mooie man, die hij was, werd volwassen en dat bleef niet onopgemerkt door de meisjes en jonge vrouwen in het dorp.

Toen kwam de grote dag. Madé vloog via Jakarta naar Mekka. Drie maanden lang werd niets meer van hem vernomen, tot zijn neef, de politicus, een email kreeg dat het goed met hem ging. Weldra was hij weer thuis. Hij was een statige man geworden, geheel gekleed in het wit. Hij straalde als een verlichte halfgod en dat straalde weer af op zijn dorpsgenoten. Madé hertrouwde, leefde nog lang en gelukkig. Hij kreeg vele kinderen. Zijn goede werken zijn wijd verspreid.

 

Amsterdam, Lombok, april 2011