Stemmingen

Er werd geklopt op de deur van de jachthut. Althusius komt binnen.

    ‘Een zekere Haak heeft gebeld. Hij komt met de bus naar Emmeloord en dan naar Spannenburg. Hij is daar om een uur of twee. Hij vroeg naar jou, Pier.’

    ‘Die ken ik nog van de kunstacademie,’ zei ik, ‘Dat hij uw telefoonnummer heeft. Neemt u me niet kwalijk.’ Haak had me gevonden. Ik vond zijn bezoek geen goed idee. Je verleden reist altijd met je mee.

    ‘Maakt hij mooie dingen?’ vroeg Oane.

    ‘Dat hangt geheel van zijn stemming af. Hij is briljant, maar zijn stemmingen werken niet altijd mee,’ zei ik in alle eerlijkheid. Wat is eerlijk? Haak werd al vroeg van de academie gezet. Ik had nooit iets van hem gezien. Hij zag zichzelf meer als het kunstwerk. Daar zat toen wel wat in en dat verschafte hem de nodige vrijheden. Haak, een persoonlijkheid met kunst en vliegwerk.

    ‘Wat moeten die stemmingen betekenen?’ vroeg Oane, ‘Krijgen we een gek op bezoek?’

    ‘Dat denk ik niet, want hij is nu blijkbaar op trektocht. Pas als hij de neiging krijgt om zich te gaan vestigen, dan wordt hij gek. Als je geen bezwaar tegen bezoek hebt, dan haal ik hem op. Maar, hij moet niet te lang blijven,’ zei ik weer, eerlijk als ik ben.

    ‘Nou dat zal me benieuwen,’ zei Althusius.

    ’Die wil vast niet weg. En dan...’. Oane grijnsde: ‘Dat zien we dan wel. Die kunstenaars zijn toch een interessant volkje.’ Althusius knikte.

    ‘Als ze maar niet interessant gaan doen,’ zei hij bedachtzaam. Haak interessant? Altijd hommeles.

Ik zou hem met de fiets halen en eerst dan kunnen beoordelen in welke stemming hij was. Na enige kilometers, reed ik over een platgereden duif. Zo een, zoals je die wel ziet in de grote stad. Aan stukken geraasd door het verkeer en geprakt op het asfalt. De duiven hier zijn veel sneller, niet zo ziekelijk als in de Randstad. Hier worden nog wedstrijden met ze gehouden. Ik moest onwillekeurig aan ‘kunstperformer’ Haak denken. Vreemde vogel op tournee in de provincie. Maar Haak was geen duif. Hij had zijn naam gekregen vanwege zijn neus, maar ook vanwege zijn ‘vogelkop’. Een spitse neus met een hoog naar achteren liggend voorhoofd. Borstelige wenkbrauwen en een beetje weke lippen. Dat laatste paste er niet bij. Maar er paste wel meer niet in dat hoofd en wee je gebeente als hij zijn stemmingen had. Enfin, ik was er niet gerust op. Zwaar weer op komst? Ik moest een uur fietsen. Halverwege moest ik pissen en ik zette de fiets aan de kant. Ik liet een mol schrikken en die rende het asfalt op. Hij bleef maar voorthollen en ik reed erachter op discrete afstand tot hij weer de berm in zou gaan. Er streek doodgemoedereerd een torenvalk neer, vlak voor me, boven op de mol. De valk hield netjes zijn vleugels over zijn slachtoffertje, kneep hem fijn met de poten en pikte er nog even in. Zacht gepiep. Even later vloog hij heel elegant met zijn kadavertje weg alsof er niets gebeurd was. Haak is in town, dacht ik, dit is zijn voorbode.

Vroeger deed ik ‘art performances’. Dat verdiende goed en vroeg nauwelijks voorbereiding. Alleen, je moest het hoofd koel houden. Je stelde je - op verzoek - ergens op. Geheel naakt of met een blad voor de tere delen. Je was model, je liet je beschilderen. Luie bezoekers konden ook met verf gooien en zo ontwikkelde de performance zich tot een zogenaamde ‘paint-in’ of ‘body-paint’. Mode in die tijd. Daarbij was het helemaal zaak het hoofd koel te houden. Ook bij ‘kunst in actie’ gelden zekere voorwaarden en grensbewaking. Voor de rest kon alles. Daar moest dan extra voor worden betaald. Haak deed eens mee aan een performance mee met zijn mooie kop en zijn voorbeeldige lichaam. Hij keek de bezoekers bezwerend aan en volgde hun blikken. Al snel kreeg hij een toornige blik van een geloofsventer, zoals bij die koppen van Toorop. Dat vonden de bezoekers helemaal niet leuk, want die begonnen net een beetje te genieten van de ontkerkelijking en ontzuiling. De seksuele revolutie was ook begonnen en iedereen ontdekte hierbij nieuwe mogelijkheden. Haak stond daar als een strenge zoutpilaar en leek geen enkele glimlach van zijn bezoekers te dulden. Daar werden ze juist lacherig van. Toen hij langzaam als een tijger van zijn sokkel afkwam en slinks om hen heen bewoog, was de sfeer snel verpest. Hij zag eruit alsof hij ze wilde bespringen en hij had het gedaan ook als ik niet luidkeels ‘pauze!’ had geroepen. Haak had zichzelf in een duistere gemoedstoestand verstrikt, waar hij die dag zeker niet meer zou uitkomen. Ik knipte met mijn vingers. Hij keek even verbaasd op. We kleedden hem snel aan en gaven hem alvast zijn beloning.

    ‘Perfecte performance, hallucinerend, te gek psychotisch!’ Dat zei ik, niet in eerlijkheid, dat geef ik toe, maar het was wel het beste compliment voor een kunstenaar in die dagen. Bij zijn soort stemmingen waren psychiaters met stomheid geslagen en zo had hij de fatale elektrische behandelingen gekregen. Sinds die behandelingen schoor hij zijn haar weg rondom zijn slapen.

    ‘Zodat de schroeiplekken zichtbaar worden,’ zei hij. Geen hanenkam, maar een hoge dos met krullen erboven. Een veelbetekenend protest. Haak was soms te vergelijken met een wild dier. Zijn psychiaters waren dwazen. Hij was alleen te behandelen zoals een baas zijn hond traint. Oane zou het kunnen, bedacht ik. Toen ik aankwam bij het buscentrum, was hij bezig met een performance. Hij had zijn bovenlijf ontbloot. Er waren jongeren om hem heen. Stilte. Zijn vogelkop met de hoge tooi had de vorm van een Egyptisch beeld en hij had de positie van een wachter ingenomen. Een wachter zoals die wordt aangetroffen in de tombe van een farao. Hoofd opzij en langzaam – in slow motion - maakte hij zijwaartse bewegingen met zijn armen, alsof hij bestond in slechts twee dimensies. Haak als een muurschildering in een pyramide. Had ie vanaf daar gebeld? Hoe lang was ie er al? Er was geen weg terug. Het was me al duidelijk: hij was in kennelijke staat en zwaar overmoedig. Hij zag me, verloste zichzelf van zijn trance.

    ‘Einde van de les!’ riep hij en kwam op me af. We omhelsden elkaar. Het wederzien was hartelijk en dat klopte, we wensten elkaar oprecht het beste toe. Dat zou zo blijven. Ik hield een kleine toespraak waarbij ik hem, een gelukkig huwelijk, veel kinderen en veel succes in het ontoegankelijke vak van de Kunst te wenste. Hij deed het omgekeerde. Genoeg gelauwerd, eerst maar eens wat pilsjes voordat we weer op pad gingen. Haak had geen plan voor de komende dagen en dat voorspelde weinig goeds.

    ‘Ik stond net les te geven in tweedimensionaal perspectief. Het gewone volk moet verheven worden door middel van kunstonderwijs,’ zei hij. Hij zei het om mij een plezier te doen en om mee te delen dat hij nooit de kunst zou loslaten.

    ‘Tegenwoordig zien de mensen het perspectief beter dan vroeger. Je zou je moeten laten projecteren op een wit doek of op een grote witte ballon,’ zei ik. Zo kletsten we weer als vroeger en ik zag dat het hem goed deed. Hij verlangde terug naar die tijd, waarbij we de dingen nieuw maakten en de kunstzinnige beweging onder het publiek brachten, naar het gehele klootjesvolk, zeg maar. Haak zag er nu opgebrand uit. Achterop de fiets was hij als een kind zo blij. Hij praatte alsof ie op vakantie ging. Toch hield hij steeds een sombere ondertoon. Ik dacht: Die droefheid laat hij alleen aan mij horen. Ter bijzondere kennisneming. Daar wil hij niet over spreken. Dat deelde ik wel met hem: kunst is een ervaring of een ontdekking. Iets dat altijd doorgaat. Haak was niet gek, alleen zijn stemmingen speelden hem parten.

 

Of het nu aan de vredige rust rondom de jachthut lag, of aan de mooie einder, of het vrolijke geblaf van Tammie, of het gesnater van de eenden, of de koerende houtduiven, of het rauwe gekras van de terugkerende blauwe reigers of aan de zwijgzame, maar geïnteresseerde Oane, Haak werd steeds zenuwachtiger en begon zichzelf steeds meer op te fokken. Hij begon als een ongetemd dier door de hut lopen.

Rondom zijn dunne lippen verschijnt een laagje schuim. Een vreemdsoortig taai schuim in zijn mondhoeken. Zijn gejammer gaat over in geschreeuw, een akelig en luidruchtig geschreeuw, zonder ophouden. Hij lijkt zich onze aanwezigheid niet meer te realiseren. Vooral het volume speelt me parten. Haak’s gekrijs gaat door alles heen en zijn geagiteerde stemming beklemt ons. We zijn verbijsterd, we zijn gehypnotiseerd door een wild beest.

We hadden wel stuff gerookt, waardoor het tempo van adequate handelingen enigszins weggezakt was. Oane kwam in beweging. Hij bolde zijn rug als een kat en legde zijn hoofd op tafel. Uit zijn houding sprak een uiterste getergdheid. Dan opeens staat hij uitgestrekt midden in de jachthut. Het lijkt het net of zijn gestalte anderhalf keer is vergroot. Hij schudt zijn hoofd heen en weer. Om hem heen speelt de rook en daarboven diezelfde veelkleurige stralenkrans zoals Jimmy Hendriks dat had, als hij optrad met Voodoo Chile. De vonken lijken van zijn hoofd te spatten. Oane is spontaan in de fik gevlogen, zoals de brandende braamstruik in de bijbel. Dan, plotseling fel licht van boven. Klapwiekend geluid.

    ‘Wanneer gaat jouw bus weer?’ vroeg Oane met een stemgeluid dat klonk, alsof we van boven worden toegesproken. Einde van de performance, stilte.

Ik bracht Haak de volgende ochtend op de fiets terug naar Spannenburg. Hij had geen kik meer gegeven en maakte de indruk goed te hebben geslapen.

    ‘Meer hommeles met Haak?’ vroeg hij bescheiden.

    ‘Altijd!’ zei ik en we kusten elkaar. Ik was toch wel wat bedroefd toen ik terug naar de hut reed. Gelukkig zag ik geen platgereden dieren meer of neerstrijkende roofvogels of andere tekenen van boven.

Bij de jachthut trof ik Alhusius in gesprek met Oane.

    ‘Nee, hoor,’ zei Oane, ‘Het was wel een hele herrie hier, maar er is hier geen filmploeg geweest.’ Althusius: ‘Man, het gehele bos was verlicht, er hing een traumahelicopter boven de hut. De bladeren werden uit de bomen geslagen.’

    ‘Daar weet ik niets van,’ zei Oane. ‘Jij Pier?’

BB