Een koekje van eigen deeg

Mijn naam is Johannes Bick. Ik stam af van de gebroeders Bicker. De “er” is eraf gesleten. Ik stam af van degenen, die aan het begin van de zeventiende eeuw het Bickerseiland lieten aanplempen. Bestuurders, scheepsbouwers, kooplieden dat waren ze. Ik zat net als mijn latere voorvaderen in huizen. Goede handel, onroerend goed. Waarom dat tegenwoordig “vastgoed” heet, dat weet ik niet. Of het moet betekenen “geheid goed”. Dat snap ik. “Houd je rustig en verroer je niet.” Dat zei mijn vader altijd en gelijk had hij. Bij onroerend goed komt het op geduld aan. Niet teveel bewegen, geen haast. Dat schijnt tegenwoordig anders te zijn. Ik heb zoveel bezittingen geërfd dat ik weinig anders hoefde te doen dan het onderhoud na te lopen. Of ik liet iets gewoon verkrotten. Afbreken was ook een mogelijkheid en dan met subsidies weer mooi opknappen. Neem de tijd. Het maakt niet zoveel uit als je eigenaar bent, want de woningnood wordt hier vanzelf op peil gehouden en de prijzen stijgen. Dat gaat ook vanzelf. Ik ben een vermogend man, maar dat hang ik niet aan de grote klok. Vanwege mijn afkomst, mijn naam en de rust waarmee ik mijn onroerend goed beheer, word ik nogal eens benaderd met verzoeken. Daar ga ik nooit op in. Ik ben nogal conservatief, ik hoef geen vliegers op te laten. Onlangs werd ik ’s avond op straat aan gehouden door iemand die mij een dikke envelop in mijn handen drukte. “Meneer Bick u bent een wijs en verstandig man. Dit moet u lezen. Het gaat over nieuwe ontwikkelingen aan de Amsterdamse haven. Niemand wil hier iets van weten. Eén grootscheepse uitverkoop, dat is het.” De man die mij de envelop overhandigde, snelde weg. Thuisgekomen begon ik te lezen. Een pak papier bleek in de envelop te zitten. Ik ken mijn klassieken: het leek wel “Het pak van Sjaalman”. Verslagen, verhandelingen, essays. Ik neem zomaar een stuk. Het gaat over het Westerdok aan de westelijke kant van het IJ, over hergebruik van een oud gebouw van de spoorwegen. Ik verander de namen, want ik wil geen gedoe achteraf. Het gebouw is al weg. Die vastgoed ontwikkeling is daar toch niet meer te keren.

10.00 uur. De vergadering begint. De leider van het IJ-oever project, Geert Boven is er. Kees IJzer, architect is er, en praktisch alle bewoners en direct betrokkenen. Na een korte inleiding over de situatie, de kansen voor verder verblijf, de kansen voor behoud van de loodsen, wordt over de herontwikkeling van de Douaneloodsen besproken. Daar is Kees IJzer voor. Hij is ingehuurd door de bewoners. Hij moet in een vroeg stadium mogelijkheden en wensen inventariseren en een eerste schetsmatige opzet maken. Een gedeelte voor wonen en werken,, voor voorzieningen, café, klein theater, expositieruimte en wat dies meer zij.

10.20 uur. De architect is nieuw. Een beetje zenuwachtig. Maar hij brengt de zaak voorzichtig ter tafel. Hij zoekt naar woorden en mogelijkheden. Diplomatiek. Geen onverstandige aanpak. Voor er iets op tafel komt is het goed om reacties te peilen en “ideeën in de week te leggen.” IJzer is nieuw in dit gezelschap en maakt de indruk de klappen van de zweep te kennen. De loodsbewoners hebben aan hem ook te kennen gegeven in goed overleg tot alternatieven te willen komen. Behoud van de Douaneloods en behoud van hun woon- en werkplek dat is het mooiste.

10.40 uur. Volgens Boven is alles mogelijk. Het gaat er alleen maar om tijdig met goede schetsen en plannen te komen. Boven is optimistisch. Misschien te optimistisch? Alles kan. Het is duidelijk te merken dat Kees IJzer er niet gerust op is en telkenmale stelt hij dezelfde vragen. Diplomatiek en vragend, steeds en weer op de tast. Geen nieuwe informatie. Hij blijft peilen wat de mogelijkheden zijn. Verschillende combinaties van functies. De huidige bewoners hebben niet het gehele gebouw nodig. Wat wil de gemeente? Ook Geert Boven drukt zich diplomatiek uit: “De gemeente wil voor als nog niets. We willen open en dynamisch plannen. De ruimtelijke verankering van de Douaneloodsen zal goed bekeken worden en ook plannen met functiemenging in het stedelijke milieu komt goed uit. Sjiek en sjofel, dat kan best!” En zegt hij “ Nieuwe elementen en bouwstenen kunnen altijd worden ingevoegd en de ruimtelijke kwaliteit van de Douaneloodsen komt met goede plannen beter voor het voetlicht. Goede plannen zijn altijd beter dan slechte!”

11.00 uur. IJzer krijgt steeds dezelfde enthousiaste reactie terug. Mogelijkheden staan open: het komt allemaal goed. IJzer gelooft het niet. Dat is nu duidelijk. Hij kijkt wanhopig rond. Hij krijgt een zenuwachtig trekje bij zijn mond en begint rood aan te lopen. Voor een ieder in het zaaltje is de situatie nieuw. Ook voor de gemeente en wellicht ook voor Geert Boven. Misschien is er inderdaad van alles mogelijk en hoeft het gebouw niet te worden afgebroken. Er zit weinig anders op dan positief te blijven. Daarom zijn we bijeen. Geert laat zich van zijn goede kant zien. “Kom op Kees, kijk met vertrouwen de toekomst tegemoet.” Zegt iemand.

11.15 uur. Geert Boven zit rechts van Kees IJzer. Kees kijkt nog een keer wanhopig rond en dan haalt hij plotseling uit met zijn rechterhand zoals een tennisser dat met een backhand doet. Een goede backhand. Geert krijgt een slag met de rug van zijn hand midden in zijn gezicht. Opperste verbazing van iedereen aan tafel en in alle opzichten dramatisch. IJzer: “Jij zit hier maar te lullen met al je mogelijkheden. Die zijn er niet, dat weet jij net zo goed als ik.” Het komt met helderheid uit de lucht vallen, echt verbazingwekkend is het niet. Maar, wat gaat Geert Boven doen? Iedereen in het zaaltje verwacht op zijn minst een paar klappen terug. Een verdediging, iets, hoe dan ook. Het dramatische effect wordt even vergroot en dan is het voorgoed weg: Boven doet niets, zegt niets, maakt zich als een schoothondje uit de voeten.

Ik kreeg die envelop zomaar in mijn handen gedrukt. Ik bemoei me niet met die moderne handel in vastgoed. Ik zie die scène levendig voor me.

“Une tarte” dat is de titel. Zo noemen de Fransen dat, als je iemand zo met de vlakke hand slaat. Dan word je beschouwd als een lulletje rozenwater. Als je dat laat passeren, dan ben je een watje. IJzer had nooit mogen slaan, maar Boven had dat nooit mogen laten passeren. Die man, die kletste maar wat en was “een slap taartje met z'n IJ-Oevertje”. Dat is misschien zo, maar ook achteraf is dat geen aangename constatering. Ik kreeg dat pak papier. Ik zat altijd in het onroerend goed. Ook daar vielen klappen, maar dit blijft bij mij toch wel hangen. Had ik dan dat pak papier ongelezen moeten laten?

BB

Een Koekje van eigen deeg is verschenen in het W-dok, een magazine ter verwelkoming van nieuwe bewoners op het Westerdok.

Het verhaal is ook te beluisteren op: Bert lees voor uit het buurtboek