Het gebied van bovenaf: GaasterlandHet gebied van bovenaf: Gaasterland

Aflevering 19 (In het feuilleton 'Gods zegen rust op deze akkers):

Echte vrienden

Ik kende hem uit de Randstad. We loerden zo’n beetje naar elkaar, zonder verder veel toenadering te zoeken, zoals katten naar elkaar zitten te kijken. Soms was er even contact, blazen, haren strak overeind, dan gingen we weer uit elkaar. We wachtten op een beter gesternte, dat was het.

Hij keek me altijd streng aan met dat wit rond die kraalogen, zijn witte tanden bloot, met die donkere kop van ‘em. Hij had op één of andere manier met me te doen, en ik voelde dat. Ik was een ongeleid projectiel. Mijn leven was ontspoord, misschien het zijne ook. Aan de zelfkant, daar leefden we. We hadden nooit narigheid samen, maar veel konden we elkaar toen niet bieden. Soms controleerde hij mijn waar. Hoe puur, gemengd of versneden het was. Ik duikelde overal dope op. Nooit kocht ik iets bij hem. Hij wilde dat niet, hij vond me te gretig.

‘Daar komen problemen van,’ zei ie. Ik hield dan aan en zei: ‘Maar ik betaal je? Wat is het probleem?’

‘Jij weet niet van stoppen. Jij bent een wielrenner, een fanatiek mannetje. Jij wil dood. Doe het maar op eigen kracht. Laat mij er buiten.’ Ik ben nog dankbaar dat hij me niet leverde. Hij wilde vrienden worden en blijven. Ik kende hem van de kunstacademie. Een kind was ik nog, een ongetemd veulen, een brokkenpiloot, hij was toen al een schipper, een sjamaan, de George Harrison in de scene van toen, een roetmop met dieper inzicht. Ik reed rondjes om de kerk, zwaar onder de dope, als een gek op een ezel. Een dolgedraaide wielrenner, een speedo, dat was ik. Schilderen, ho maar, daar had ik geen tijd voor.

Moonlight, zoals hij later genoemd werd, kwam ik weer bij Oudemirdum tegen. Ik had al over hem gehoord.

‘Er is een neger in het dorp,’ zeiden ze hier. Dat was niet om te beledigen. De mensen houden hier van het nieuwe. Dat maakt ze nieuwsgierig, daar willen ze wel meer van weten. Niet om het te beoordelen, maar om er wat van op te steken. Dat is traditie, dat kennen ze van vroeger. Ze fietsten er voor om, voor een praatje, om goede dag te wensen. Dat deed ik ook.

‘Een Hottentot in zijn natuurlijke habitat, ra, ra hoe kan dat?’ Ook dat zeiden ze tegen elkaar, niet om te kwetsen, maar juist om hem welkom te heten. De mensen willen weten, ‘hoe is dat nu mogelijk?’ Ze hebben hier een goede inborst, ze gunnen elkaar wel wat. Moonlight had zijn jeugd doorgebracht in de binnenlanden van Suriname en nu woonde hij in het landschap van Koning Willem I, in een verkaveld en geordend landschap, met strakke sloten, langgerekte dijken, eindeloze horizonnen en uitgestrekte boswachterijen. Alles is hier gemaakt door ’s mensen hand.

Aan de rand van het landgoed van Althusius, in het zuidwesten, had hij met zijn vrouw een optrekje gevonden. Ze verhuurden Tipi’s, verkochten stenen uit de IJstijd, reden rond met bokkenwagens en hielden retraite weekenden.

Ik kwam hem tegen toen ik erlangs fietste om bij de klif te gaan schilderen. In de verte zie in een gedaante met een zwarte kop. Ik herkende hem direct. Hij droeg een witte overall met een kap, waar gaas aan hing. Hij was imker geworden. Hij was meer dan toeschietelijk en ik had in het geheel geen haast. Ik was clean, ik gebruikte niets meer. Meteen stonden we uren te kletsen, als of we iets in te halen hadden en elkaars gezelschap hadden gemist. Wij lieten tractoren passeren, boeren brachten de koeien van de ene maar de andere weide, er werd stro binnen gehaald, alle akkers rondom werden doorgeploegd en geëgd. Ze groeten allemaal heel vriendelijk. Wij kletsten intussen maar door. De meesten die voorbij kwamen, had ik wel eens ergens ontmoet. Ze keken hun ogen uit, alsof het de eerste keer was dat ze hem van dichtbij zagen.

‘Hé hallo, mooie dag vandaag.’ Ze minderden vaart, stopten even en groetten beleefd.

 ‘Nou goeie hè!’ Daar gingen ze weer, op de fiets, de brommer, de trekker. Kiekendieven doken neer. Sperwers vlogen hoog boven ons, stonden stil en letten op. Heel de natuur leek in rep en roer. We hadden een weids uitzicht over het IJsselmeer en wij stonden maar te kletsen met de blik op oneindig naar overkant naar al die windmolens in de richting van de Noordoostpolder, of naar grote zeilschepen die richting Enkhuizen voeren.

Ik liet hem het doek zien waar ik aan werkte: een dijk met enkele lammetjes verdwijnt in een blauwe eeuwigheid, woeste wolken stapelen zich op. Er staan kopjes op het water. Meeuwen hangen erboven, stil in de lucht.

‘Het licht,’ zei ie, ‘het licht is alles bepalend.’ Ik keek hem verbaasd aan, ik wist niet dat hij dat zo kon zeggen. Het was de spijker op de kop en daarom was ik daar heen gefietst. Het ontroerde me, het gaf me kracht, het zou me lukken.

‘Dat is het,’ zei ik. Ik wees het aan. Ik werk aan het wit en goud rond de wolken. Daarachter moet het licht vandaan komen.’

‘Zie je wel, je hebt het in je, je kan het.’ Weer verbaasde hij. Nooit had ik iets goeds gehoord uit vroeger, van niemand. Er was niets uit die tijd waar ik met trots op terugkeek. En nu een schouderklopje. Ik werd er stil van, alleen een vriend kon zoiets zeggen. Het leek zo uit zijn hart te komen, het was zo onverwacht, zo vriendelijk. Misschien kwam het goede in het leven altijd onverwachts, op momenten dat je er niet meer op rekent?

‘Dat wist jij niet hè, maar het was gemakkelijk te zien. Ik was niet de enige. Jij was een kunstenaar die boel over de klink joeg, jouw talent moest aan gort. Zo gedroeg je je. Je had het leven losgelaten en het leven jou.’ Ik knikte en kon er weinig aan toevoegen. Ik vertelde hem dat ik door een wonder de dans ontsprongen was en hier bij Oane in de jachthut werd opgevangen en later bij jonkheer Althusius in dienst was gekomen.

‘Als jij je energie goed aanwendt, dan kom je er wel.’ Waar hij die wijsheid vandaan haalde wist ik niet, maar ik wist wel dat hij boodschappen doorgaf vanuit iets dat hij het Hogere noemde. Het miste zijn effect niet, van ontroering was ik even helemaal van de kaart. Waar openbaarde Het Hogere zich nog? Bij mij sloeg het in als de bliksem.

We waren blij elkaar hier te ontmoeten, we zaten op het hek, we tuurden langs de dijk naar Mirns, even we waren gelukkig als katten in het weiland: hij zwart, ik rood als een kreeft. Moonlight dealde niet meer, ik gebruikte niet meer. Hij was verlicht, mijn duisternis was verdwenen. Hij was dicht bij zijn schepper en ik had Beatrijs ontmoet.

Het leven liet sporen na. Hij had een open hart operatie ondergaan en zijn vrouw was hersteld van kanker. Als ze nog verder wilden in hun leven, dan moest alles anders en dat hadden ze gedaan. Hij had er nu baantjes bij als onderhoudsmonteur, als conciërge op een school. Zelfs autorijles gaf ie.

‘We hebben nu gemengd bedrijf.’  Zo was zij in de stenen gegaan, deed de verhuur van de tipi’s en breide ze kinderkleren.

 

We haalden herinneringen op en gingen terug naar een duister verleden. Ik had een potje van onbekende herkomst, van een diefstal, een kraak? Meegenomen bij een tandarts? Er stond Erythroxylon Coca op. Zo gewiekst was ik toen al wel, dat ik wist waar dat op sloeg. Maar was het goed spul, misschien te goed? Moonlight zou het weten, die kwam uit die contreien, die kende die waar.

Hij kwam langs met een oude Amerikaanse bak, een ronkende acht cilinder. Dat was de mode toen.  Hij liet het gevaarte stationair lopen en kwam binnen. Ook dat was toen mode. Het betekende dat je geld op zak had en dat het milieu je geen reet kon schelen. Daarmee was je hip, zoals ze toen zeiden. Ik woonde in een kraakpand aan de Amstel, vlakbij de Halvemaansteeg. We hadden een feestje. Moonlight kwam binnen en iedereen viel stil. Hij zag eruit als een opperhoofd van een stam Bosjesmannen. Bont uitgedost met kleuren en veren. Zijn vrouw was bij hem en die keek zorgelijk. Dit was zijn handel, niet zonder risico en hij kende deze waren als geen ander. Hij bekeek het potje en knikte. Voorzichtig maakte hij het open. We stonden in een kring erom heen alsof het geheim van de heilige graal ons eindelijk geopenbaard zou worden. Hij stak de punt van zijn stiletto in het potje. Behendig bracht hij een witte bergje naar zijn linker neusgat en hop weg was het. Toen werd er stil. Hoe lang, weet ik niet meer, maar de spanning steeg. Plots keek hij op, zijn ogen tolden. Hij wilde iets zeggen, maar hij kreeg geen woord uit zijn keel. Met een pilsje knapte hij wat op.

‘Honderd procent onversneden chemische coke,’ stootte ie uit, ‘gevaarlijk spul.’ Dat was niet voor dovemans oren. Iedereen vulde zijn neusgaten.

 

Moonlight kon zich dit niet herinneren.

‘Ik heb het potje nog.’

‘Jij bent onverbeterlijk.’

‘Nee, het is een aandenken, een totem. Ik heb het dichtgelijmd.’

‘Waarom?’

‘Je leverde mij nooit, je wilde dat niet. Jij hebt geen idee hoe belangrijk je waarschuwing was. Het drong pas later tot me door dat ik dat gedreven werd door een roekeloze doodsdrift.’

‘Je bent veranderd tot diep van binnen,’ zei ie me. Het klonk als een bewijs van goedkeuring. Ik vond hem ook helemaal okay. We groetten elkaar. Ik ging met mijn ezel de dijk op en hij ging door naar zijn bijenvolkjes. Ik zette mijn doek op de ezel en ging zitten op mijn krukje. Ik was me volledig bewust van wat ik op het doek wilde hebben. Ik kneep mijn ogen toe en bekeek de vlakverdeling en de hoek van de lichtinval. Ik wist gelijk hoe en wat ik moest doen moest en ging aan de slag. Ik werkte onafgebroken tot de zon wegzakte in het IJsselmeer. Ik liet het licht achter de wolken wegkomen en reflecteren op de golven. Het leek of heel het schilderij verlicht werd van boven.

Toen ik terug fietste, keek ik of ik hem nog ergens zag. Het lag niet voor de hand dat hij hier zijn bestemming had gevonden, maar bij mij ook niet. We hadden allebeide geluk gehad en ik wist zeker, dat was niet toevallig. We kwamen allebei van ver, we waren echte vrienden. Ook daar was ook niets toevallig aan.

 BB

Oudemirdum, 31 mei 2017

(zie ook: scenario zoekt verfilming)