En de Vrouwe Johanna voer uit

Ik was bang voor water. Oane haalde altijd alleen de fuiken leeg. Mij niet gezien in die donkerte boven dat meer. Oane probeerde me wel mee te krijgen en machtig mooi kon hij vertellen over het ochtendgloren. Een visser in de mist? Een silhouet van angst. Ooit heb ik met gevaar voor eigen leven een kat uit het water gehaald. Het beest trok met zijn nagels ploegvoren in mijn arm. Ik bloedde als een rund. In de ontreddering die dat beest in de ogen had, herkende ik de blikken van junks uit de grote stad. Ik slingerde hem de wal op en probeerde uit het water komen. Ik kon niet zwemmen. Zomaar iemand hielp mij weer de kant op.  De angst blijft bij je, daar kom je niet van af.

Ik was een stadsmens of liever een stadsgebruiker. Nou, de uitgewoonde hoeken waar ik kwam, daar durfden niet veel mensen mij te volgen. Gelukkig is dat verleden tijd. Nu woon ik bij Oane in de jachthut. Althusius en de Jonkvrouw zijn onze bazen. Tammie, het hondje van Oane is voor de eenden jacht. Als er ooit een eend bij onze kooi neerstrijkt, zorgt Tammie ervoor dat ie niet meer wegkomt. Wij houden het landgoed bij. Jachtopzieners, toezichthouders, dat soort lui zijn wij. Dat doen wij zo onopvallend mogelijk. We dragen geen hoedjes of jagerstenue met knickerbockers. Zodra er hier iets een poot zet, dan weten wij dat. Er wordt hier niet gebouwd, geen nieuwerwets gedoe met skylines, toplocaties of appartementscomplexen. Gelukkig heb je hier, in deze kant van Gaasterland niet veel water. Alleen de Luts gaat er door en daar blijf ik uit de buurt. Oane weet dat ik niet kan zwemmen. Ik kreeg een keer de lachers op mijn hand toen ik vertelde dat ik, als jongetje, een sloot bedekt met kroes in rende omdat ik dacht dat het een gemaaid grasveldje was. Ja, lach maar, dacht ik, maar ik was bijna verzopen. Die angst laat je niet los.

Althusius kwam de jachthut binnen en met opgewekte stem zei hij: ‘We gaan varen. De Vrouwe Johanna komt ons 15 juni in Laaksum halen en dan varen we door naar Oerol.’ Einde mededeling, maar meteen brak mij het zweet uit. Terschelling, Oerol, dat kende ik, maar eerst het IJsselmeer en dan het Wad op: geen denken aan.

‘Ik pas wel op, dan kan Oane er mooi eens uit.’

‘We schepen allemaal in,’ zei hij, ‘Witte Willem houdt hier een oogje in het zeil.’ Daar zat wat in. Sinds Witte Willem het huisje van Wicher gemaakt had, kon hij geen kwaad meer doen. Maar er was ook iets in hem veranderd. Hij was milder, wijzer geworden. Ook in zijn kroeg was het gezelliger. Rond deze tijd verbouwde hij het in een Oeralcafé. Rechtstreekse verbinding met Terschelling. Geen voetbal meer, weg met slap gelul.

‘Alles voor de kunst,’ zei Willem tegenwoordig. Natuurlijk, dat wilde zeggen een onzeker percentage van de omzet, maar hij had zijn leven gebeterd en er waren al kroegen gevolgd.

‘Zuipen is geen kunst,’ stond er nu op zijn Oeralcafé. Het werkte en de jeugd kon er ook nog wat van opsteken. De wind die uit de hoek van de politiek waaide was schraal geworden. Iedereen hier had daar goed de pest in.

Alles goed en wel. Althusius stond dikdoend te oreren in zijn enthousiasme en hij hemelde dat schip op. We gingen mee de woeste baren op. De jonkvrouw zou op de accordeon spelen. Er ging jenever mee en een maatje haring. Hij leek wel een dorpsonderwijzer die zijn schoolreisje aanprees. Tammie kwam bij me zitten en legde zijn kop op mijn been. Dat is een slim hondje en die voelde het: Ik zat met de kloten voor het blok. Twee dagen varen en dan ook nog op het Wad. Watervrees, daar kom je niet zomaar overheen.

‘Ik ga niet,’ zei ik. Althusius legde vaderlijk zijn hand op mijn schouder.

‘Jongen, het is nog niet zo ver. We moeten ons voorbereiden. Iedereen doet iets. Ik ga ’s avonds voorlezen uit oude Russische meesters. Oane schrijft haiku’s. Jij moet ook iets doen. Misschien weer een schilderles? Jij ben de man van de kunst. We rekenen op je.’

‘Nou, nee dus,’  zei ik. Hij kneep zachtjes in mijn schouder.

‘Slaap er eens een nachtje over. Nou, goeie hé.’ Weg was ie, maar mijn angst was wel weer terug.

Die middag kwam de boer van even verderop langs, de vader van Beatrijs, mijn geheime liefde. We noemden hem ‘De alwetende Toeschouwer’. Hij was een biologische boer en had nog aan de VU in Amsterdam gestudeerd. Een man met verstand. Oane schonk hem koffie. Ze kletsten wat over verschillende onderwerpen, tot hij zei: ‘Zo jullie gaan er eens een weekeindje uit. Dat zou ik ook wel eens willen.’ Hij had van die kleine oogjes waarmee hij in mijn richting keek. Ik zag mijn kans.

‘Ik wil wel op de koeien passen.’ Hij zweeg, bleef mij maar aankijken. Toen zei ie tegen Oane: ‘Het meeste spul staat al buiten, maar ik heb binnen twee drachtige koeien. De knecht kan dat niet alleen. Het speelt rond de 15de juni. De fokstier komt ook tegen die tijd, de koeien worden tochtig.’ Enzovoorts, dacht ik, nou man, dan niet.

‘Wel jammer dat ik niet kan, want Beatrijs treedt er op,’ zei ie. Weer keek ie me zo aan met die varkensogen van ‘em. Mijn hart bonsde. Beatrijs trad op! Ze zat in de laatste klas van de Kunstacademie in Groningen. Dat had ze me nog niet geschreven. De geleerde boer bleef me maar aankijken en verder zei ie niks.

‘Ik stap maar weer eens op,’ zei ie, ‘Goeie, veel plezier hè.’

Ik had geen keuze meer, nu moest ik naar Terschelling. Had Beatrijs haar vader als boodschapper gebruikt? Had hij daarom zo naar me zitten loeren? Hij mocht misschien een wijs man wezen, maar dat haalt het nooit bij de schranderheid van een vrouw. Beatrijs gaf de koers aan, dat was duidelijk. Sinds ze mij verleid had weer les te gaan geven, schilderde ik weer. Dankzij mij mocht ze naar de kunstacademie. Had Witte Willem niet gezegd: ‘Alles voor de kunst!’ Met elkaar waren wij toch ook een soort kunstgezelschap.  Je kunt wel jaar in en jaar uit je akker omploegen, zaaien en oogsten, maar er is nog meer onder de zon. Ik gooide de deur van de jachthut open. Heel mijn hart riep: Beatrijs, ik ben bang, misschien blijft dat bij me, maar ik kom, ik kom naar je toe.

De volgende ochtend voor dag en dauw, liep ik mee met Oane naar zijn bootje. Hij ging de Morra op. Ik duwde hem af. Hij hield zijn roeispanen hoog, kromde zijn rug en vlak voor de spanen het water in gingen, zei hij: ‘Pier, ik leer je in twee lessen zwemmen.’ Weg was hij, mijn beste vriend, als het silhouet van mijn angst.

Bij de Mirnser Klif is een zandstrand met ondiep water. Je kunt zeker honderd meter doorlopen zonder dat je kopje onder gaat. De avondzon scheen over de dijk. Oane had zijn kaplaarzen aan en liep voorop. Ik bibberde van angst en kou in mijn onderbroek. Hij droeg me op om op mijn rug te gaan liggen, wat ik deed. Hij hield zijn hand onder mijn hoofd en dwong me rustig te blijven liggen. Hij leek wel een soort Johannes de Doper. Veel wil ik er verder niet over vertellen. Ik was bang, maar ik moest er doorheen.. Dit was een privé aangelegenheid en geloofskwesties zijn dat ook. Je kunt er wel over blijven praten, maar wat draagt dat bij? Het volstaat te vertellen, dat ik in twee lessen over mijn angst heen was. Oane was mijn leidsman en ik wist wat ik wilde.

Op de ochtend van de 15de juni reden we mee op de boerenkar achter de trekker. ‘De Alwetende Toeschouwer’ zat aan het stuur. Vanaf Rijs reden we naar de dijk en in de verte zagen we de Vrouwe Johanna al komen. Het was een ware uittocht, Willem was er op z’n Harley met allerlei volk uit zijn café. Het was die nacht niet dicht geweest.  Toen ik aan boord kwam, was ik zowel blij als gespannen. Waarom ze dit de ‘Bruine Vloot’ noemen, weet ik niet, ik moest wel schijten als een beer. Gelukkig was er genoeg Popla aan boord.

Er stond een flinke zuidelijke wind. We gingen bij het Kornwerderzand het Wad op. We moesten wachten op hoogwater en bleven die nacht op een zandbank liggen. We dronken alles op dat Althusius bij zich had. Na een halve dag zeilen liepen we de volgende middag Terschelling binnen.

Beatrijs trad twee keer per dag op met haar gezelschap, ‘Talking Paintings’. In het dorp hield ze monologen als het Melkmeisje van Vermeer. Keurig ingelijst en perfect in dezelfde pose, alles uit het hoofd. ’s Avonds traden ze op met De Staalmeesters van Rembrandt. Beatrijs verkleedt als man. De meesters bleven ook in dezelfde pose als op het doek en ze bleven ons steeds strak een oplettend aankijken. Met hun dialogen gaven een inzicht in de sluwheid van het moderne Amsterdam. Enorm applaus van de toeschouwers.

’s Nachts sliep ik met haar in het net onder de boegspriet. De kluiver was onze tent. Ik was mijn angst vergeten, ik beminde haar. Na vier dagen moesten wij weer terug en de wind stond gunstig. Met vol tuig voeren we uit. Beatrijs stond op de pier te zwaaien. Haar haren wapperden in de wind. Ik hoorde haar stem over de wateren. Ik gooide mijn wambuis uit en wilde overboord springen om naar haar toe te zwemmen. Gelukkig hield Oane me tegen.

‘Je bent dan wel je angst kwijt, maar als je tegen de stroom in wilt zwemmen, dan heb je meer les nodig.’

Later gaf hij me een haiku. Ik wist niets van dichten, dit vond ik toch wel mooi:

Als ik naar jou kijk

Kunstzeemeermin, sirene

Denk ik aan de pier

BB