De Lift

Dat hij zou sterven dat stond vast, maar niet op deze manier. De vereenzaming bij het ouder worden, de teloorgang van het onderlinge hulpbetoon, het wegvallen van iedere vorm van solidariteit, het waren vaststaande feiten. Steeds meer geliefden ontvielen hem en zo zou het verder gaan. Zijn dood zou niet als een verrassing komen.

 

Hij verlangde ernaar om te sterven, maar elke keer stokte een verdere gedachtegang. Een zelfgekozen einde? Je moest de rit uitzitten, het leven is een traject zonder tussenstations en overstapregelingen, zei een stem in hem. Zijn grootvader had geprobeerd zelfmoord te plegen, een geleerd man. Hij was nog jong, maar hij had door de reactie van zijn ouders, de schok ervaren. De doortastendheid waarmee zijn vader de ziekenhuisopname regelde, die daarmee de gebeurtenissen toedekte en dan… zijn moeder die maar niet kon ophouden met huilen.

Anderen kunnen eerder sterven dan jij, maar je hebt ook voorgangers in de dood, dacht hij. Vrienden, die ‘de andere kant van het leven’ verkenden en een vroegtijdig einde zochten. Een levenseinde waarbij anderen achterblijven met onbeantwoorde vragen, met onverwacht verdriet, met boosheid.  De dood was geen demon waarvoor hij op de loop ging, maar ook geen geliefde die hij wilde omarmen. De dood is een aanwezige afwezige, iemand waaraan je geen aandacht kunt schenken, omdat hij al weg is of nog moet komen.

 Waarom ween ik zacht, terwijl ik het wel kan uitschreeuwen, vroeg hij zich af.

Zo leefde hij en het leven kwam hem voor als een keten van aaneengeschakelde gebeurtenissen, meestal angstige, soms vreugdevolle. Een keten zonder regie, zonder patroon. Het leven als een slecht toneelstuk zonder hoofdpersonen, zonder thema, zonder structuur? Een kakafonie met een concreet einde? Hij las over de ‘oogst van de nieuwe geneeskunst, waarmee men zonder moeite en pijn oud kon worden’. Een denkraam voor optimisten, dacht hij, met steevast hetzelfde resultaat: nieuwe onopgeloste puzzels met losse stukjes. Nee, zijn dood was onafwendbaar en wat maakte dat uit?

Maar zijn laatste jaren maakten wel degelijk verschil. Hij was oud geworden en zijn gebreken namen toe. Ik ben in de herfst van mijn leven dacht hij, de zomer heb ik gemist. De rillingen gingen door zijn lijf. Spoedig lig ik in een vrieskist, hij dacht het niet, hij verlangde ernaar en hij wist het zeker: Het einde kondigde zich aan, maar toch zou het onverwacht komen. De dood, een medereiziger op onbekend terrein?

Op de radio had hij gehoord dat, ‘de ontwikkelingen in de ouderenzorg zich elkaar razendsnel opvolgen; dat we steeds langer leven en dat de komst van nieuwe technologieën ons in staat stelt onze eigen gezondheid te beschouwen en dat die ontwikkeling zorgverleners helpt om beter te reageren op situaties aangaande onze gezondheid.’ Onze? Wie controleert dat, dacht hij en weer vroeg hij zich af: hoeveel ouder zal ik worden en hoeveel blessures en tegenslagen zal ik nog meer oplopen? Dat hij nooit ongeschonden de eindstreep zou halen, dat betwijfelde hij niet… Was dat de dood, een dubbele ontkenning?

Hij had een burn-out gehad, hij werd getroffen een onvoorstelbare leegloop van energie, zonder hoop op verbetering. Hij had zich van de ene dag naar de andere gesleept, zonder enig perspectief. Hij was iemand, die tegen een loopband inliep zonder enige vooruitgang. Meer dan tien jaar had het geduurd.

Plots was een goede vriend overleden. Voor het eerst realiseerde hij zich dat hij niet meer laconiek kon zijn over zijn doden. Hij bemerkte dat de dood een onherstelbaar verlies teweeg bracht en pas toen realiseerde hij zich het vroege overlijden van zijn moeder. Elke gedachte daaraan, elk gevoel daarbij had hij weggestopt, na de begrafenis van zijn vriend was alles ineens teruggekomen. Aanvankelijk trok een onrust in zijn gestel, later werd hij doordesemd van een verdriet en hortend en stotend kwam zijn leven tot stilstand. Jaren, jarenlang. Paradoxaal genoeg verschafte de dood van zijn vriend hem toch meer vrijheid. Erger kon het niet, dacht hij. Hij ontmoette lotgenoten die zich ook aan hun tranendal probeerden te ontworstelen. Hij bleef het gevoel houden dat zijn leven hem niet meer toebehoorde.

Een paar jaar geleden was hij gevallen en had daarbij zijn heup gebroken. De pijn was na de operatie niet weggegaan en lopen deed hem zeer, vooral trappenlopen en hij woonde in de stad op een vierde étage, op een plek waar iedereen wel zou willen wonen midden in het centrum. Steeds moeilijker werd de gang naar boven, en naar beneden durfde hij niet. De trap ging recht omhoog naar de tweede etage, maakte een lus naar de derde en nog één naar de vierde. Als er gebeld werd, kon hij aan een touw de beneden deur opentrekken, maar dat durfde hij niet meer. Hij begon minder te eten, hij vermagerde. Soms had het gevoel weg te glijden in somberheden waar hij geen greep meer op had, soms legden de toenemende pijnen hem plat, zonder dat hij daarvoor medicijnen of iets anders nam. Hij zag zichzelf sterven en wegglijden in vergetelheid; om tenslotte in de eenzaamheid van een ‘stille uitvaart’ te belanden.

Hij had de afdaling gemaakt van vier hoog naar beneden en scharrelde met zijn stok langs de gracht. Nooit had hij gedacht dat het lopen hem zo zwaar zou vallen, zijn knieën en zijn heup deden pijn. Hij was stram en stijf. Hij stak de brug over naar het stadhuis, een meisje speelde op de accordeon. Hij luisterde, ze speelde steeds maar hetzelfde deuntje. Dat doe ik ook, kwam bij hem op, steeds maar doorgaan op hetzelfde deuntje.  Op de kade voor het stadhuis keek hij omhoog naar grote borden met foto's. 'Dierbare Stadgenoten’ stond erop. Aan de ene kant stonden er oude mensen op en aan de andere kant, dieren. Enorme foto's.

"Deze 'Stadgenoten’ verdienen het om gezien te worden en staan daarom een maand lang in de spotlights,” las hij. De mensen konden zich inschrijven als oppas of ze konden hun huisdier inschrijven. Hij wist er niet van, hij wilde niet in de spotlights. Er waren vast leuke verslagen in nieuwe media verschenen. 'Media' kon hij zich niet meer veroorloven. Een krant is te duur en een aansluiting voor TV kon hij niet meer betalen. Hij schrok bij een foto van een herder, het dier leek een vergroeide rug te hebben. Geen hond die je kon laten trappenlopen… Zou ik mezelf kunnen inschrijven, vroeg hij zich af, als een bedreigde diersoort in een vijandige omgeving. Het begon de regenen en te waaien. Hij had het koud, hij vroeg zich af hoe lang hij er over zou doen om weer naar boven te komen en stak over om terug naar huis te gaan.

‘Hé ouwe, aan de kant, dit is een fietspad, kijk waar je loopt, man.’

In zijn woonblok was er behoefte aan een lift. Er waren verschillende mogelijkheden om deze op de binnenplaats tussen de huizen. Sommige plannen waren echter zo slecht, dat er opzet in het spel leek het plan te torpederen. Na jaren touwtrekken werd er uiteindelijk gekozen voor weer een ander plan. Bewoners van de eerste en de tweede étage waren bang dat met een lift de huurprijzen omhoog, tot boven de huurgrens zou gaan. Ze zeiden tegen hem:

‘Als het je niet meer bevalt, dan ga je toch ergens anders wonen.’ Andere bewoners zeiden niets tegen hem, ze hadden de plannen tegengehouden omdat de plaats van de lift hun niet aanstond. Wat ging hem dat aan?

‘Wie wil er nu zo’n gevaarte voor zijn raam,’ zeiden ze tegen elkaar.

De ambtenaren, de architecten, de woningbouwvereniging, allen hadden ze zich er mee bemoeid. Zelfs de politici gaven toe dat ouderen een vergeten groep waren in de stad en dat het leven in de stad voor ouderen steeds moeilijker werd. Ze lieten het bij uitspraken. Zo ver was het gekomen met zijn volksvertegenwoordiging?

Zijn geheugen liet hem steeds meer in de steek en hij vroeg zich af hoelang de voorbereidingen had geduurd. Op een gegeven moment gingen anderen er zich mee bemoeien. Hij raakte het overzicht kwijt, hij geloofde er niet meer in. Uiteindelijk werd er toch een plan goedgekeurd. Dat was twee jaar verder en kerstmis naderde. Via een poort werden de binnentuinen voor bewoners toegankelijk gemaakt en daar kwam de lift. Met galerijen werden verschillende verdiepingen verbonden.

De galerijen waren er al, maar de lift was nog niet geïnstalleerd. Hij voelde zich onrustig, het was laat. Hij kon op de galerij naar de lift lopen. Het was donker, hij had daar niets te zoeken. Het was gevaarlijk, wat deed hij daar? Er waren plastic linten gespannen. Een duif vloog weg, hij schrok, wankelde en tuimelde voorover.

Zo werd hij gevonden: met zijn hoofd op de betonnen vloer in de liftschacht. Hij moest op slag dood zijn geweest. Tijdens de druk bezochte uitvaartdienst werd gememoreerd, dat hij niet de hand aan zichzelf had geslagen, maar was overleden door het falen van het hart. De autopsie gaf het precieze moment van overlijden en vertelde dat hij al dood was voordat hij ten val kwam. Opgelucht haalden de belangstellenden adem. 

 

BB