Alles is tevergeefs


Tergend langzaam kwam de trein het station binnen. Er leek geen eind aan te komen. Hoe lang duurde dit nu al? De machinist hing uit het raam om de wisselingen van het spoor te volgen. Een man, die voor de trein liep verplaatste de wissels één voor één met de hand. Gesnerp, schurend metaal op metaal, vonken. De tonen, die lang aanhielden, gingen me door merg en been. Zinderingen hingen boven het spooremplacement. Het gesjirpt van de krekels was verstomd.

 

Het was warm en ik was misselijk. Ik was gestrand in een bergdorp in Italië, ik wilde door naar San Remo waar ik een hotelkamer had gehuurd. Stakingen. Al dagen was ik onderweg vanaf het zuiden. Ik zat alleen aan een bar in een hoekje van een wachtkamer die de grootte had van een stationshal. Een hal die in Turijn of in Milaan niet zou misstaan. Ik keek naar de naderende trein. Hij leek zich overdwars over de rails te bewegen, van wissel naar wissel, van spoor naar spoor, om tenslotte steunend en krakend voor het perron tot stilstand te komen. Ik zou ook staken als in zo,n hitte moest werken. Mijn lichaam staakte.
De dood zit me op de hielen. Ik schrik er niet meer van. Al lang, al jaren heb ik slechte uitslagen. Iedereen die ik ken, schrok. Ik werd al snel opgegeven. Ik geef nooit op, maar ik houd steeds slechte uitslagen.

Ik zat daar in die gigantische stationshal. Stomme muziek. Ik ontdekte een wespennest boven me in het barretje. Het scheen de bediening niets te kunnen schelen. De wespen vlogen af en aan door kapotte ramen. Het ging niet goed me. Ik probeerde met Nederland te bellen met het ziekenhuis over een nieuwe uitslag. Nog voor ik verbinding had, was mijn beltegoed al op. Ik had nog geen woord gesproken. Ik had er weinig vertrouwen in, maar ik kon er niets meer over horen. Eerst moest ik in San Remo zien te komen. Daar kon ik dan vanuit het hotel bellen. Hoe lang zou dit nog duren? Er kwamen twee jongens met brommers de hal binnenrijden. Leuk hoor. Er was toch geen kip, maar toevallig zat ik wel daar koffie te drinken. Een uitstekende cappuccino, dat wel, maar het smaakte me niet. Niets smaakte me sinds mijn chemo kuren. De jongens met hun brommers verlieten de hal. Er bleef een blauwe walm hangen. Nee, het ging niet goed met me. Ik begon te hoesten, ik was te moe om mijn koffers te pakken. Het voelde of ik volgespoten was met lood.

Een jongen kwam naar binnen en liep op me toe. Een jaar of twintig. Een mooie jongen. Zonder iets te vragen pakte hij mijn zwaarste koffer. Hij keek me aan met vragende ogen.
‘Gaan we nog?’
Hij had zijn Ipod zo hard aanstaan dat ik kon horen wat hij beluisterde: The Rolling Stones. Waarom wist ik niet, misschien omdat hij me aan mijn zoon deed denken. Ik liep op hem toe en maakte één oortje los. Ik zei in mijn beste Italiaans: ‘Zet dat ding zachter. Je verpest je gehoor.’
Hij lachte, deed het oortje weer terug, bleef staan met mijn koffer en zijn vragende ogen. Ik schudde mijn hoofd alsof hij mijn zoon was, die me wegbracht.

Voelde ik me klein in de stationshal, toen ik buiten kwam op het perron voelde ik paniek. Het was midden op de dag. De hitte was ondragelijk. De geur van teer en asfalt. Mijn jurk plakte op mijn huid. Ik ging zo wat dood. De jongen kwam naast me lopen, pakte mijn andere koffer en liep voorop naar de trein. Ik volgde mijn redder tijdens deze oversteek. Hij ging me voor in de trein en legde de koffers in het rek. Hij nam één oortje uit en groette beleefd. Ik kreeg geen woord uit mijn keel, ik keek hem met open mond aan, ik zie hem nog weglopen naar de stationshal: een engel, wat anders?

De trein verliet het station. Uit het barretje in de stationshal klonk: ‘Cantaré, volaré, oh, oh, ho, ho,..’ Het liedje werd overstemd door het gesnerp en gepiep van de trein, door schurend metaal op metaal. De jongen met zijn beide oortjes in, stond in de deuropening. Hij kon het niet horen. Hij zwaaide.
Love in vain, dacht ik en ik zwaaide terug. Slingerend van wissel naar wissel, van spoor naar spoor, vervolgde mijn trein zijn weg.

BB
Amsterdam, Mortola, augustus 2010