Leitmotiv II, de schrijver en zijn volgende boek

Gepost 2018/10/26

In gesprek met Arthur JapinIn gesprek met Arthur Japin

Huis de Pinto 25 oktober en 29 november 2018

Met Leitmotiv II, de schrijver en zijn volgende boek  gaan we verder met de vraag: ‘Hoe gaat de schrijver om met zijn tweede of het volgende boek?’ Hoe beslis je om een nieuw boek te schrijven? Wat zijn onderdelen van die beslissing? Hoe vind je, of hoe ontwikkel je een nieuwe thematiek, een oeuvre? Hoe kies je als je verschillende opties hebt? Twee avonden  25 oktober en 29 november in Huis de Pinto.

Op donderdag 25 oktober  spraken we met Arthur Japin. Hij schrijft romans  met de regelmaat van een klok. Deed hij over zijn eerste roman 10 jaar, nu verschijnt er om de twee jaar een nieuwe. Van Japin is bekend dat hij beslist op basis van ‘verliefdheid’, voor de hoofdpersoon, de thematiek of het verhaal. Werd het oeuvre van Matsier in Leitmotiv I vergeleken met spanwijdte van een condor, het werk van Japin doet denken aan  een albatros, die vrij en hoog boven continenten en oceanen zweeft en ons onze kwetsbaarheid doet realiseren. Arthur Japin schreef in 1996 de bundel 'Magonische verhalen' maar zijn echte grote doorbraak was De zwarte met het witte hart. Er verschenen Indische romans, Russische romans, een Western. Hij bewerkte  romans tot musicals, opera's. Zijn grote kracht zit in de ritmische verteltrant.  Hoor zijn stem! Japin is erbij, hij kruipt in rollen, personages en laat niet meer los...

Links Truus Rozemond, rechts David PefkoLinks Truus Rozemond, rechts David PefkoOp 29 november gaan we verder met Truus Rozemond en David Pefko.

Rozemond is op latere leeftijd fictie gaan schrijven. Zij schrijft uit een noodzaak om het verhaal te vertellen, om andere werkelijkheden te tonen, om te overleven. Haar romandebuut  Een verwaarloosd huis werd in 2015 gepubliceerd bij uitgeverij Xanten te Utrecht. In 2016 verschenen er gedichten van haar hand in de dichtbundel Zwanenvergadering bij uitgeverij Anderszins. Haar nieuwe boek Tussenruimte is haar eerste publicatie bij uitgeverij Magonia.

David Pefko (1983) debuteerde in 2009 met de roman Levi Andreas. In 2011 verscheen zijn tweede roman Het voorseizoen, waarvoor hij de Gouden Boekenuil in ontvangst mocht nemen. In zijn laatste boek Daar komen de vliegen schetst hij op pijnlijke wijze de teloorgang van Jerry Kirschenbaum, een belegger op Wallstreet, die een systeem op de beurs hanteerde waar iedereen in geloofde maar waar niets van klopte.

Leitmotiv I

In Leitmotiv II, de schrijver en zijn volgende boek zijn we benieuwd naar de overwegingen en afwegingen van een schrijver bij de start van een nieuwe roman en in Leitmotiv I, de schrijver en zijn boek (najaar 2017-  voorjaar 2018) gingen we in op 'Hoe een schrijver afscheid neemt van zijn boek.’

De reacties van vrienden, bekenden, collega's. Ontbrekende reacties, goede of slechte recensies. Een boek dat verder zijn eigen leven leidt en een schrijver die eenzaam achter blijft in een leeg huis?

We spraken met Nicolaas Matsier, Tobias Wals, André Platteel, Ivo Weyel, Bertien Minco. Bertien interviewde mij en zo kon ik mijn roman Een held in onze tijd (Uitgeverij Magonia) toelichten.

Er valt veel te melden over een dergelijk afscheid. Sommige auteurs komen niet van hun eerste (vorige) boek af, anderen kunnen niet wachten om te beginnen aan een nieuwe opdracht. Er lijken drie stijlen te zijn: Een schrijver schrijft van zich af; een schrijver schrijft naar zich toe; een schrijver schrijft op. Alle drie zijn soorten van verwerking en verschillende bewerkingen van ervaringen, gevoelens en ideeën. 

Persoonlijk spreekt mij een schrijver die naar zichzelf toeschrijft het meeste aan: hij zit, zeg maar, voor de spiegel te schrijven en verandert door zijn eigen beelden, hij is in ontwikkeling, zijn boek is in ontwikkeling. 
Het blijft natuurlijk een hele kunst om je eigen teksten ‘als lezer te lezen’. Dat wordt weer makkelijker als de schrijver zichzelf beschouwt als zijn eerste lezer.

Een-naar-zich-toe-schrijver zaait, groeit, ploegt en egt tegelijkertijd. Natuurlijk, het kan anders. Je kunt onderwerpen luchtig opschrijven en meer op afstand houden of je schrijft een tekst zoals een hond regen van zijn vacht schudt. 
In Leitmotiv I leek het erop dat een-naar-zich-toe-schrijver dieper gaat, dat hij verbanden legt, die ervoor niet waren. In de tekst zie je dat terug in de vorm van: een denkende ik, een vertellende ik, een ervarende ik of een denkende, een vertellende en een ervarende hoofdpersoon in de 'vrije directe rede'.

Na deze succesvolle eerste serie gesprekken in Huis de Pinto gaan we door met een tweede.

De serie Leitmotiv is een initiatief van Huis de Pinto en Uitgeverij Magonia (Lex Jansen).
BB

 

http://www.huisdepinto.nl/agenda/leitmotiv-de-schrijver-en-zijn-volgende-boek

Messa di Gloria

Gepost 2018/10/03

Staande ovatie, diepe buigingen, oprechte dankbaarheid.Staande ovatie, diepe buigingen, oprechte dankbaarheid.Eindelijk is het zover, vanavond treedt ze op met haar Amsterdamse koor in San Pietro di Castello, morgen komt ze logeren. Vanaf het vroege voorjaar keek ik hier al naar uit.  Ze kwam me geregeld opzoeken, ook na het overlijden van mijn man.

Vroeger logeerde ze bij ons, soms kwam ze een maand tijdens de zomervakantie. Ik zwierf dan met haar door de stad. Ze is mijn liefste nichtje. Mijn man en ik schrokken toen ze naar het buitenland ging. Veel van onze leeftijdgenoten hadden tevergeefs hun heil in het buitenland gezocht, in de Verenigde Staten, in Europa. Gelukkig werden ze er niet.

 

Graciëlla vertrok naar Nederland om te studeren, ze bleef er. Ze trouwde daar met een Italiaan, dat wel.

‘Italië heeft je nodig,’ probeerde ik eens, maar ik was niet eerlijk. Ik wilde haar hier houden, bij mij. Natuurlijk, de beste krachten verlieten de stad, zoals ook ratten een schip verlaten. Ik was er altijd al bang voor, nu niet meer, ik ben eenzaam geworden in mijn Venetië. Vrienden trokken weg, mijn man overleed. Ik leef er nog, alleen, in een decor. De voorstelling is allang afgelopen.  

Vanavond komt Luigi me halen met zijn gondel. Vlakbij Calle di Testa, waar ik woon, kan ik opstappen en varen we erheen. Ik wil nog even een dutje doen. Ik heb wat gegeten, maar veel trek had ik niet. Rosetta, mijn hulp,  veegde de vloeren, lapte de ramen, alle schilderijen en alle boeken nam ze af. Ik liep haar voor de voeten en hield haar van haar werk met mijn verhalen. In twee dagen heeft ze het hele huis schoongemaakt. Ik was een beetje over mijn toeren en mijn hart bonsde in mijn keel. Ik belde met dr. Galotti, de hartspecialist en had hem gelijk aan de lijn.

‘Nee,’ zei hij, ‘niets aan de hand. Je bent opgewonden, logisch, dat zou ik ook zijn. Probeer wat te slapen. Trouwens ik ben er vanavond ook, maak je geen zorgen.’

Ik ging op het opgemaakte logeerbed liggen, onder de horloges van mijn man, zijn privécollectie met ‘buikhorloges’, zo noemde ik ze. Ik zie hem voor me: langzaam strekt hij zich uit in zijn luie stoel, om rustig zijn horloge uit zijn vest te nemen en geduldig de tijd te registreren. Hij had een verzameling van deze horloges en hij had ze uitgestald in vitrines die aan de muur hingen. Ze stonden allemaal stil. Ik zag dat geen van de horloges een zelfde tijd had, allemaal gaven ze andere uren en minuten aan. Ik telde ze en toen ik bij 25 was, zakte ik weg, even voelde ik mijn benen niet meer, even deed mijn heup geen pijn en vlak voordat ik indutte, voelde ik dat mijn hartslag regelmatig werd. Ik dacht aan mijn man, hoe hij met zijn horloges en klokken de tijd naar zijn hand zette. Hij was horlogemaker. Het verbaasde me niet hem hier te zien. Hij was altijd nog dicht bij me, alsof ik hem nog kon horen ademen. Weliswaar was hij langgeleden overleden, maar helemaal weg was hij nooit.

‘Ik ben van alle tijden,’ zei hij soms en gaf me dan ondeugend kneepjes. Hij was een lieve man. Ik schonk hem geen kinderen, hij vond het niet erg, hij hield van me.

‘Wat meer kan ik wensen, dan jou aan mijn zijde,’ zei hij eens. Hij meende het. Samen gingen we naar de opera. O, hij had me veel kunnen vertellen over Messa di Gloria van Puccini, de mis die vanavond gezongen zal worden. Hij zou zich daar op voorbereiden en hij wist hoe het mij naar mijn zin te maken. Ik schrok wakker.

Vanavond zou ik de vertolking horen van haar Amsterdamse koor. Mijn man kende alle belangrijke stukken en hij wist zeker de geschiedenis van deze mis. Voorafgaand vertelde hij dan opgewonden wat hij te weten was gekomen. Ik hing aan zijn lippen. Hij zou mij alles vertellen over verschillende vertolkingen. Hoe het stuk bewerkt was. Hoe oud Puccini was, toen hij eraan begon. Hij begreep de scheppingskracht van de componisten en kon er gloedvol over vertellen. Ik had literatuur wetenschap gestudeerd. In mijn jonge jaren las ik niet alleen Italiaanse schrijvers, ik omringde me met buitenlandse schrijvers. Ik liet de muziek aan hem. Ik las alles dat ik in vertaling kon krijgen: Samuel Beckett, Thomas Mann, Albert Camus, Ernest Hemingway, later las ik John Berger, Tim Parks. Nog steeds dompel ik me onder in boeken. Thuis is er geen muur of er staat een boekenkast voor. Ik hing ons appartement ook nog eens vol met Impressionisten, met Kubisten, als het maar nieuw en niet barok was, daar hing de stad al vol mee. Ik leefde binnenskamers met mijn boeken, schilderijen, Venetiaans glas en keramiek en droomde weg bij mijn schrijvers en schilders. Mijn man zaliger :bracht me naar buiten, onder de mensen. Veel Venetianen kenden hem vanwege zijn vak en zijn belangstelling voor de opera. Ik genoot van de belangstelling die hij ondervond.

‘Ik houd ze bij de tijd,’ zei hij en ook mij hield hij beschaafd op de hoogte. Hij respecteerde mijn leeshonger. Mijn man was een man van beschaving, met aandacht voor gans het stedelijke raderwerk: de vuilophaaldiensten, de gemeenteraad, de banken, de politici, het uitgaansleven.

‘Ik kan hun klokken niet gelijk zetten, maar ze wel een nieuw besef van tijd geven.’  Heel beleefd bedoelde hij dan dat het afgelopen moest zijn met ‘dat bedrog, die belangenvermenging’. Burgemeesters die er – ongestraft - met de kas vandoor gingen. Venetië bleef langzaam wegzakken, de rottingsgeur van de stad beheerste de gehele lagune.

Ik hoorde in de verte de klokken luiden. Hoelang was ik weg geweest? Op mijn horloge was het vijf uur. Hoe snel ging de tijd? Ik deed mijn mooiste jurk aan, van geruite Schotse wol, ik had hem van mijn man gekregen toen we samen op reis  waren. Dik Tailers, Amsterdam stond erin. Misschien een beetje te warme jurk voor deze tijd van het jaar, maar ’s avonds kon er mist optrekken en we zouden heen buitenom de stad tegen de wind invaren. Ik legde voor de zekerheid nog een stola klaar. Die zou ik omslaan op de terugweg als we over Canal Grande voeren om naar de lichtjes te kijken. Een uurtje heen, een uurtje terug, had Luigi geschat. Ik had een lange avond voor de boeg en hoe lang geleden was dat niet? Toen voelde ik hoe hij zijn arm haakte in de mijne. Ik droomde niet.

‘Graciëlla kon altijd al mooi zingen. Geen wonder dat ze op een koor ging,’ zei hij. Ik hoorde duidelijk zijn stem. We zouden samen gaan. Hij zou me vertellen, hoe Puccini zijn Messa di Gloria in 1880 voltooide, dat het een afstudeerproject was voor het Muziekinstituut Pacini, dat de mis toen nog niet in zijn geheel gepubliceerd werd.  Hij zou me ook vertellen dat pas in de jaren vijftig van de vorige eeuw het werk in zijn geheel werd uitgevoerd: Kyrie – Gloria – Credo – Sanctus – Agnus Dei.

De mis was geschreven voor zangsolisten, koor en orkest. Ik wist dat die avond aan het koor van Graciëlla twee solisten waren toegevoegd, een tenor en een bariton. Dat kon mijn man niet weten, want hij was niet meer op de hoogte. Ik gaf hem zijn warme jas en nam hem mee naar de gondel van Luigi. Ik kon niet  wachten. Het was onze tijd om te gaan…

BB

Venetië/Mortola, september 2018

 

(Op 22 september 2018 trad het koor van Arti et Amicitiae op met Messa di Gloria van Giacomo Puccini onder leiding van dirigent Janet de Langen in de Basiliek van San Pietro di Castello in Venetie. Begeleiding op het klavier: Richard Hengeveld. Solisten: Walther Deubel en Nico Sevenhuysen.).

Een held in onze tijd

Gepost 2017/05/09

 

Deze Mont St.Michel hangt bij Flex op Kerkstraat 427 In Amsterdam. De oorspronkelijke opzet werd gemaakt door Frits Müller. Hij was politiek tekenaar, cartoonist, jazz-musicus. Hij overleed in 2006. Het schilderij werd afgemaakt door Ruud van Sprundel. Een imaginair stedelijk landschap - op een berg in zee - van onvervalste Amsterdamse makelij. Mooi voor een boekomslag!Deze Mont St.Michel hangt bij Flex op Kerkstraat 427 In Amsterdam. De oorspronkelijke opzet werd gemaakt door Frits Müller. Hij was politiek tekenaar, cartoonist, jazz-musicus. Hij overleed in 2006. Het schilderij werd afgemaakt door Ruud van Sprundel. Een imaginair stedelijk landschap - op een berg in zee - van onvervalste Amsterdamse makelij. Mooi voor een boekomslag!

Deze 'logoposter' is in verschillende versies verkrijgbaar via 75b.nl/shop.html. Een grafisch ontwerpatelier dat een cover maakte voor de bijlage van de VolkskrantDeze 'logoposter' is in verschillende versies verkrijgbaar via 75b.nl/shop.html. Een grafisch ontwerpatelier dat een cover maakte voor de bijlage van de Volkskrant

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het lezen begint bij de omslag, wordt er wel gezegd. De afbeeldingen hierboven vind ik  mooie 'zoekplaatjes' en ook  mooie boekomslagen. Het is een gemeenplaats om te zeggen 'dat iedereen zijn eigen boek leest'. Een boek is meer dan de omslag of een zoekplaatje. De lezer wordt 'meegenomen op reis', onderweg kan er van alles opgemerkt worden en dat hoort bij een goed boek. Hieronder drie recensies van Een held in onze tijd van professionele lezers. Ik mag niet ontevreden zijn.

 

(1) Leeskost.nl, geplaatst op 27 januari 2017 door Piet Windhorst:

Ex-wethouder kijkt terug op zijn tijd in het gemeentebestuur


Maarten Hecht was ooit een succesvol wethouder in Amsterdam. Hij was zeer ambitieus en werkte keihard. Door tegenwerking van topambtenaren en doordat hij zwaar overwerkt was, moest hij aftreden. Hij vertrok naar Portugal en werd wijnboer. Zijn aftocht werd geregeld door zijn voormalige secretaresse Lucy Munt en zijn vriend Gert Swaab. Lucy belt hem op met de mededeling dat Gert was neergeschoten. Daarna was hij uit het ziekenhuis verdwenen. Maarten gaat onmiddellijk naar Amsterdam om met Lucy zijn vriend op te sporen...
Eerst gaat Maarten in het ziekenhuis op onderzoek. Gert is verdwenen en alle sporen zijn gewist. Er zijn geen dossiers en de camerabeelden zijn verwijderd. Niemand weet iets. Met Lucy en zijn oude vriend Aäron van der Poel gaan ze naar Gerts woning. Zijn huis is in de verkoop. Ze vinden er belangrijke informatie en nemen die mee. De zoektocht loopt zeer voorspoedig, hoewel ze een keer worden beschoten met een Kalasjnikov. Het slot, waarin ook de Russische mafia een rol speelt, bevat extreem veel geweld.
Een andere uitgebreide verhaallijn gaat over de tijd dat Maarten Hecht wethouder was. We krijgen een goed inzicht in de gang van zaken op het stadhuis. Machtspelletjes, baantjesjagerij en allerlei tegenstrijdige belangen, een echte slangenkuil. De moeizame omgang met de gemeentesecretaris en enkele topambtenaren, de manier waarop hij afgeserveerd wordt is keihard en onverdiend. Op den duur laat iedereen hem vallen, zelfs zijn eigen fractie. De aandacht voor de gemeentepolitiek gaat wel ten koste van het spannende verhaal.
Een ander belangrijk onderwerp betreft de Joden in Amsterdam. De hoofdpersoon Maarten stamt af van Portugese Joden. Zij blijken heel anders te zijn dan de Joden die later uit bijvoorbeeld Polen zijn gekomen. Aäron is een Poolse Jood. Pijnlijk is het verhaal over de vader van Maarten. Hij heeft de oorlog overleefd. Beschamend is te lezen dat hij met de grootste moeite weer zijn eigen huis moet kopen.

Bert Bakker schreef een goed boek dat prettig leest en waarin veel gebeurt, maar waarin ook veel informatie staat. Het verhaal over de Amsterdamse Joden zou uitgewerkt een boeiend boek waard kunnen zijn. Dat geldt ook voor het onderwerp gemeentepolitiek, waarover nog veel meer te vertellen is. Al die zijpaden gaan ten koste van het spannende gedeelte, de speurtocht naar Gert Swaab. Zonder al die andere onderwerpen en met minder toevalligheden en onwaarschijnlijkheden zou het boek als thriller veel spannender kunnen zijn. Onthullend en spannend boek over Amsterdam (Recensie op Leeskost.nl).

Een held in onze tijd. ISBN 978-94-922-4114-6, 139 pagina’s, € 17,95. Utrecht: Magonia 2017

 

(2) De recensie van Ellen de Jong in Boekenkrant: 

Psychologische thriller van formaat

De Boekenkrant, jaargang 11, 1 maart 2017De Boekenkrant, jaargang 11, 1 maart 2017

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit wapen werd ontworpen door de kunstenaar Hugo Mulder. De klare lijn!  Ik vroeg hem of het ook voor tatoeages wordt gebruikt. Naar zijn weten niet. Ik zocht toen uit of er mensen zijn die het wapen dragen en kreeg veel reacties: Amsterdam gaat onder je huid zitten. Een detail kwam op omslag van 'Een held in onze tijd'.Dit wapen werd ontworpen door de kunstenaar Hugo Mulder. De klare lijn! Ik vroeg hem of het ook voor tatoeages wordt gebruikt. Naar zijn weten niet. Ik zocht toen uit of er mensen zijn die het wapen dragen en kreeg veel reacties: Amsterdam gaat onder je huid zitten. Een detail kwam op omslag van 'Een held in onze tijd'.

(3) Een derde recensie  stond in De Leestafel:

Andere dingen dan alleen het plot

Als achter de Hermitage in Amsterdam twee Russen zijn neergeschoten - waarschijnlijk een afrekening in het criminele circuit - gaat Geert Swaab, journalist, poolshoogte nemen op de plaats delict. Dat komt hem duur te staan. Hij wordt neergeschoten en bewusteloos afgevoerd naar het ziekenhuis. Door wie of waarom?

Als achter de Hermitage in Amsterdam twee Russen zijn neergeschoten - waarschijnlijk een afrekening in het criminele circuit - gaat Geert Swaab, journalist, poolshoogte nemen op de plaats delict. Dat komt hem duur te staan. Hij wordt neergeschoten en bewusteloos afgevoerd naar het ziekenhuis. Door wie of waarom?


Lucy Munt, de voormalig secretaresse van hoofdpersoon Maarten Hecht, belt haar ex-chef met dit bericht. Hecht neemt onmiddellijk vanuit Lissabon, waar hij met vrouw en zoon woont, het vliegtuig. Hij is Swaab iets verschuldigd vindt hij, hij zal onderzoeken wat er gebeurd is.
Maarten Hecht is oud-wethouder te Amsterdam, en door Lucy en Gert uit Amsterdam weggeholpen toen hij instortte tijdens een raadsvergadering. Zijn carrière was ten einde, hij had zich misdragen en van zijn collega’s was geen enkele sympathie meer te verwachten. Zijn verleden heeft hem niet losgelaten al is hij tevreden met zijn nieuwe rustige leventje in Lissabon. Dus daar is hij, gekomen om zijn vriend te bezoeken en te helpen. Tot zijn verbijstering is Geert Swaab verdwenen uit het ziekenhuis. Zelfs de bewakingsfilmpjes waar zijn aanwezigheid op geregistreerd was, zijn gewist. Waar is Swaab gebleven? Wie heeft er belang bij zijn verdwijning? Samen met Lucy en een andere vriend, de activist Aäron van der Poel, gaat hij op zoek. Maar ze zijn hun leven niet zeker, er zijn meer kapers op de kust.

Intussen zijn de belevenissen in Amsterdam, vooral de fietstochtjes, voor Hecht een terugreis naar het verleden. Herinneringen aan zijn tijd in de raad, aan wat hij wel en wat hij niet voor elkaar heeft gekregen overvallen hem terwijl ze proberen Swaab te vinden en te redden.

Op deze manier is behalve Hecht vooral de stad Amsterdam de hoofdpersoon van dit verhaal. Het heden en verleden van het ontstaan van de stad vormen naast machtsspelletjes en gekonkel in de ambtenarij een belangrijke verhaallijn naast het thrillerachtige plot. En er is een lijntje over de Joden in de stad, als het over de voorouders van Hecht en Swaab gaat.

Persoonlijk houd ik daar van, als andere dingen dan alleen het plot belangrijk zijn en goed uitgewerkt worden zoals in dit boek zeker gebeurt. Het boek wordt dan ook terecht aangeprezen als een roman, niet als een thriller. 
Het boek leest vlot weg, en boeit van begin tot eind.

Bert Bakker (1949) schrijft verhalen, essays, novellen en romans, hij is gepromoveerd in de sociale wetenschappen en woont afwisselend in Amsterdam en Zuid-Frankrijk.

ISBN 9789492241146 | Paperback met flappen | 128 pagina's | Uitgeverij Magonia | januari 2017

© Marjo, 21 april 2017

http://www.leestafel.info/bert-bakker

Gedeelde ruimte

Gepost 2016/07/04

Het Parool van 2 juli 2016Het Parool van 2 juli 2016Met enige aarzeling schrijf ik dit op. Het is een nogal gevoelig onderwerp of misschien moet ik zeggen: dit wordt steeds meer een gevoelig onderwerp. Ruimte die je deelt met anderen, binnenshuis, buitenshuis. Wat valt er eigenlijk niet onder? Ik beperk me tot Amsterdam, mijn stad. Achter de voordeur ben je overgeleverd aan je huisgenoten, je houdt er stand met beleefde omgangsvormen, kleine attenties, een bloemetje op zijn tijd. Ben je alleen, ook dan is ‘binnen’ de plek om je weer op te laden, om moed te verzamelen en om weer naar buiten te gaan. Op straat betreed je een wereld van regels, verkeersregels voor wandelaars, fietsers, motorrijders en automobilisten. Een wereld die gereguleerd wordt door afspraken en voorschriften. In Amsterdam wordt daar niet al te nauw op gekeken...

 

 

Lees verder in Het Parool van 2 juli 2016

De Boventoon

Gepost 2016/05/31

Ze wist dat het koor op woensdagavond repeteerde. Ze kon niet wachten erheen te gaan. Het was al laat in het in het voorjaar. Ze wilde het horen, ze wilde horen hoe het koor haar klank zou vinden en wanneer de samenzang haar hoogtepunt zo bereiken. Spoedig zouden ze optreden… De zomer kondigde zich al aan.

 

Het speet haar dat ze niet mee kon zingen. Ze was hees, ze klonk als een schorre kraai, ze was haar stem kwijt. De dokter had tegen haar gezegd, dat ze haar stembanden rust moest gunnen. Ze wilde zo graag weer meezingen, het kon niet. Ze wilde horen hoe het koor klonk in de voorbereidingen: het beste koor van Amsterdam, misschien wel het beste koor van Nederland, haar koor. Ze had vernomen dat ze een Duits repertoire hadden. Veel liederen die ze vroeger ook had gezongen. **

Op de Amstel werd ze opgehaald door een fluisterbootje, een geruisloos scheepje dat haar elektrisch aangedreven naar het centrum stuwde. Ze herinnerde zich de uitvoering van Aan de Amsterdamse grachten, in het arrangement van Verhoef; hoe de sopranen, de bassen en tenoren ritmisch de alten begeleiden. Ze was een alt, ze wilde zingen Hoe fijn het is om Amsterdammer te zijn. Pom, pom, pom... Het was een feestelijk lied en even voelde ze zich weer als een meisje van acht. Pom, pom, pom..

Een zwanenpaar dobberde voorbij met twee jonge zwaantjes. Oplettend, voorzichtig zochten ze hun weg door het doolhof van de grachten. Een meerkoet was op weg met voedsel naar haar bij elkaar gescharrelde nest. Drie jonge koeten verwelkomden haar met schril geluid. Gier zwaluwen vlogen hoog boven de stad. Het bootje voerde rustig verder, de repetitie zou gauw beginnen, ze kon niet wachten, ze wilde dat het sneller ging. De schipper knikte haar vriendelijk toe, nog even en ze zouden op het Rokin varen. Het fluisterbootje gleed door de grachten, zoals een gondel in Venetië. Hoorde ze het goed? De schipper neuriede: L’asia in favilla è volta. Combattono I possenti, Sol tra pastori e armenti. Discordia entrar non sa. Zachtjes neuriede ze mee. Op het Rokin aangekomen, hoorde ze door alle drukte heen dat haar koor al met de repetitie was begonnen. De schipper hielp haar vlug op de wal bij de Oude Turfmarkt. Geschrokken vlogen duiven op.  

Ze vroeg aan de schipper:

    ‘U zong Quartetto pastorale. Hij glimlachte.

     ‘Snel naar binnen. Ze zijn al begonnen.’ Ze keek hem aan, ze zag in hem een volwassen man, een brede glimlach op zijn gezicht, breder dan zijn snor, donkere ogen, een bruine kop. Een Italiaan, dacht ze, kan niet anders, een Venetiaan.

    ‘Ik wacht hier op u..,’ zei hij.

Een verkeerstoezichthouder bood haar de arm en leidde haar behoedzaam naar de overkant. Hekken en gaten in het wegdek ontwijkend; voorzichtig  om straatklinkers, wegversperringen en verkeersborden heen, tot aan de ingang van de sociëteit. Hij begeleidde haar als een heer. Hoorde ze het goed? Zachtjes zong hij: Nachtigall sie singt so schön, when die die Sterne funkeln. Ze kon het niet geloven, schor zong ze mee: Liebe mich, geliebtes Herz, küsse mich. Ze bloosde. Vriendelijk hield hij de deur voor haar open. Ze betrad een oase aan rust, een beschermde plek midden in het centrum. Boven hoorde ze eerste tonen van O, könnte ich fliegen wie Tauben dahin. Even keek om naar buiten, ze groette haar begeleider. Aan de overkant boven haar Italiaanse schipper zag ze de duiven vliegen.

Er lag een nieuwe loper op de trap en ze betrad deze alsof hij er voor haar gelegd was. Een bont spectrum van kleuren, een hallucinerende collage van verschillende prints verzachten de opgang naar boven, naar een expositiezaal waar gerepeteerd werd. Ze werd overspoeld door emoties en zeeg neer op het tapijt. Wenn zwei von einander scheiden klonk en ze liet haar tranen de vrije loop. Toen klonk het ritmisch perfect gezongen Am brunnen voor der Tore en ze hoorde hoe ver ze al waren. Ze stond op en keek hoe de jonge dirigente met vaste hand leiding gaf. Ze zag het eindeloze geduld van de pianist. Steeds opnieuw herhaalden ze het tot het koor het perfect zong.

Toen de tenoren Rede Mädchen, allzu liebes inzetten, werd het haar teveel. Ze ging naar beneden om iets te drinken te halen, maar snel ging ze weer naar boven. Niemand kon haar zien, ze nipte aan haar glas. Toen klonk Komm holder Lenz, des Himmels Gabe kommt. Ze nipte aan haar glas en voorzichtig zong ze mee Komm holder Wein, des Himmels Gabe kommt. Het koor deed haar uit een lange winterslaap ontwaken en gaf haar weer de kracht naar de zomer te verlangen en ze wist zeker: haar stem zou terug komen: …des Himmels Gabe komm!

De repetitie was afgelopen en het gonsde van tevreden en aangenaam gekout. Stilletjes ging ze naar buiten. Haar begeleider bracht haar weer naar de overkant. Hij zette Wie lieblich sind die Boten in en zachtjes zong ze mee. Op de Oude Turfmarkt gekomen viel haar schipper, de wachtende Venetiaan, in. How lovely are the messengers, the messengers hat preach us the gospel of peace…

Bert Bakker (tenor)

 

*Dien toon, Welke door zijne hoogte of geluidsterkte boven alle andere uit gehoord wordt

** Het Artikoor van Arti & Amicitiae (Amsterdam) trad zondag 19 juni op in de kerk van Durgerdam,  in het kader van Waterland-Kerkenlandroute 2016,  Durgerdammerdijk 76,  Amsterdam om 13.00, 14.00, 15.00 en 16.00 uur (steeds 20 min.).

Zie  www.waterland-kerkenland.nl  en www.artikoor.nl

 

Sail Amsterdam 2015 is on!

Gepost 2015/08/20

 

To mark this occasion an old story: A ship’s berth (Een scheepshut) was nominated for the 2007 Brandende Pen, a Dutch prize awarded by Lava for the best short story in the Netherlands (Lava 13.3). It has been translated into Frisian and appeared in his first collection of stories, Ien mei de dingen (Noordboek, Friese Uitgeverij, 2009).

See: Three short stories

Sail Amsterdam 2015Sail Amsterdam 2015A Berth

A place for six men to sleep, no more. One bunk for each of us. Two stacks of three. Herrings in a barrel. I was at the top. Betje was across from me on the other side, also on top. A small berth on a galleon. Somewhere around the year 1623. I was lying on my bunk. I could not get a wink of sleep. I saw myself lying there. I was thinking about my parents. Would I ever see them again? I was one of the youngest on board, together with Betje. We were determined to sail on the Narwal, no matter what the price. It was adventure we were looking for. And adventure is exactly what we found. A storm. Battles with the English and the Portuguese. But even more threatening now was the silence at night. Would everything be all right with Captain Heere and his ship? We just had to go with him, and only him. February, two years ago in Amsterdam at het Blauwhooft Bastion on the IJ. I can still see how we ran, even now.

A place for six men to sleep, no more. One bunk for each of us. Two stacks of three. Herrings in a barrel. I was at the top. Betje was across from me on the other side, also on top. A small berth on a galleon. Somewhere around the year 1623. I was lying on my bunk. I could not get a wink of sleep. I saw myself lying there. I was thinking about my parents. Would I ever see them again? I was one of the youngest on board, together with Betje. We were determined to sail on the Narwal, no matter what the price. It was adventure we were looking for. And adventure is exactly what we found. A storm. Battles with the English and the Portuguese. But even more threatening now was the silence at night. Would everything be all right with Captain Heere and his ship? We just had to go with him, and only him. February, two years ago in Amsterdam at het Blauwhooft Bastion on the IJ. I can still see how we ran, even now.

Betje in front, with me running behind him. We are exhausted, gasping for air. The galleon of Wijnhoudt Heere. Such pomp and circumstance. God almighty, what a ship. A stern with decorated mermaids. Gold, blue and white. How many masts does it actually have?

‘Higher than the Schreiers Tower!’ If we still want to make it, we had better hurry. Captain Heere stands proudly on the bridge. He gives the orders around here.

Sometimes it is possible to climb on board unnoticed. Betje is the fastest. He quickly unties a small sloop and calls out to me: ‘Why are you just standing there? Are we going or not?’ We drag the sloop past the gate, jump in and start rowing like mad.  The sloop starts spinning around. Somehow we manage to get it on course, heading towards the Narwal. We manage to lay aboard. Straight away, we are boarded and lifted up onto the ship.

‘What’s yur name? Heere asked when we were brought to him.

‘Jacob.., Jacob Dik,’ I answered. I was afraid that we would be thrown off the ship again immediately. I had never seen him that close up before. He was my hero and role model. I was shaking in my shoes. That look in his eye, those bushy eyebrows, the frown on his forehead. He looks right through you, I thought.

‘Do not think for one moment that I will turn around and go back because of you. Impossible. I will throw you off board at Pampus,’ Heere said, ‘Boatswain, tie these two up down in the hold, that will give them some time to think about what they’ve done.’

‘Two stowaways on board!’ the boatswain yelled down below. Grins from the crew; to them we were just free galley boys, two nitwits who were still children. But Betje and I were on board. And that’s how it started. First we were stowaways and before we knew it, we were just classified as crew like the rest; age doesn’t matter on Captain Wijnoudt Heere’s ship. No one would live to a ripe old age here. That was a fact. How long had we been sailing now? For years. In 1621, we sailed out of Amsterdam. The galleon was equipped for privateering, loaded with cannons and ammunition, and on its way to faraway lands. I had to go; I really had no other choice. And neither did Betje. No wind for weeks, months, how long actually? I just lay there on my bunk. I simply couldn’t sleep. The ship rocked gently. Nothing to be done about it. We hardly ever saw Heere on the poop deck anymore. He stopped eating with us as well. He would just stand there, days on end, bent over a map. The boatswain said: ‘There are empty spots on that map.’

He would sit there at night, gazing at the stars for hours on end, making calculations with an instrument I had never seen before. The crew was uneasy and was starting to object more and more.

‘Heere has lost his way.’ And ‘Heere is going stark raving mad,’ they were saying. Time sometimes seems to pass like sand in an hourglass, but now it was dripping as slowly as molasses from a spoon. The galleon lay idle somewhere on an ocean. Motionless. Loneliness is a sailing ship without wind.

We hadn’t seen land for months. We lay there rocking, slowly undulating. The rudder was creaking, the masts were creaking. The sails would snap now and then, and would then hang limply. Midsummer. Sweltering heat. The helmsman stood at the helm to prevent the ship, with its high stern, from spinning in circles. This ship was going adrift like a miserable little tub. It looked like a chicken, pecking at grain. With its rear in the air. We had probably been turning in huge circles for weeks. It was impossible to chart a course for the Narwal. The captain just kept walking the after-deck above his berth, pacing to and fro. He hardly spoke a word to anyone. The crew muttered and conspired. Many of those on board took ill. Those who died were given a simple burial at sea. No one wants to die like that.

I did not think that we were lost. I went to Heere on the bridge.

‘Aye, aye, captain, everything is going as planned, just not enough wind, isn’t that so?’ I said.

I had been on board for so long I figured I could afford to take some liberties. It had been a long time since I was a mere galley boy. Heere had noticed that I was smart, and quickly gave me more freedom. I would help the helmsman. I was allowed up onto the bridge. Sometimes he would even tell me new things. I learned a lot from him about privateering and navigation.

From the bridge, I could watch how Heere and his men adeptly torpedoed an English ship in such a way that it did not sink immediately, thus allowing them time to transfer all of the valuable spoils. Now he was grumbling to me: ‘Privateering pays well, but we are going to discover new land here and build a stronghold. Did you see that pigeon on the forward deck recently? We’re not far from shore. I’m certain of it.’

Pigeons? I hadn’t seen a single pigeon. Sometimes, way high up in the sky, a lone albatross maybe. We did not see any land at all, and were just bobbing aimlessly on an endless sea. Heere was also starting to make a peculiar impression on me.

‘Does he think about his parents from time to time?’ I wondered.

‘Has he given ample consideration to the sailors?’ The protests began to increase. They wanted to mutiny, they had had enough. They were exaggerating, nothing was happening. Perhaps that was the problem.

Wijnoudt Heere was an unusual man in every way, and had already taken many successful journeys. A real go-getter. He never came home empty-handed. The West India Company was founded just for this voyage. Heere was a sailor who was in search of flourishing colonies. A man who earned money for his city, not someone who stayed home to boast about his earnings. He was unquestionably surly, and even a bully from time to time. But every sailor was. If you did not possess these qualities, you could not survive.

Heere had even more: he was also a businessman who would even turn to slave trading to earn a livelihood. A consummate pioneer. And that ship of his cost him a pretty penny. Without the Company, he never would have come this far! I already knew this about Heere before I came on board, and I inquired about it among the crew. Many of them did not even know him. Adventurers, just like Betje and I, but without baggage. Seamen who were easily incited to revolt, thanks to a lack of beer and gin. Heere was not troubled about them. I discovered that he was fully aware of the mood on board. He even used me to learn more. I would do the same if I were captain.

One day we bumped up against a large dead fish with a spear in its belly. We sailed alongside of it. The crew’s reaction was one of fear. It was a spear with colored beads. Heere took the fish to the bridge and did not utter a word. The tension mounted.

Bumping around, hushed voices. It is night, a dizzying, starry sky above us. Heere is standing on the poop deck. The boatswain sneaks up on him from behind. Betje and I are sitting one deck below. We see it happen.

‘Captain, behind you!' I call out’. But Heere had obviously already seen him or perhaps he was even expecting him.

‘Man overboard!’ Rang out in a loud voice. The boatswain was gone. Heere walked past us and winked.

I was lying in my bunk, the events replaying themselves in my mind. Suddenly, I was overwhelmed with thoughts of the past, of the story of Jonas in the Whale. Was I just like Jonas on a great ship, adrift on the sea? Would we be spewed out again? I was frightened; the situation was getting more and more unreal.

‘Has Heere completely lost his mind?’ the crew asked me. I had only just come on board, and already I was an informant. Heere and his visions. But I knew that he was right: we are going to discover new land. I could feel it in my bones. The only question was when. I had the same dream often during this voyage. A foetus in the womb, a ship sailing on God’s waters.

One night, I awoke suddenly: a great deal of commotion on deck. The men were running back and forth. The artillery was being readied. I woke up Betje.

‘Land ho!’ I bluffed. And it was true! At a distance of less than five hundred yards we saw green (trees, bushes, fields), snow-white sandy beaches. The mouth of a river, a bay. We saw hills and dales. Virgin territory, as far as the eye could see. The crew had already figured out that this was an area teeming with fish. Salmon everywhere, all around the ship.

Once the men had readied everything and two sloops were hanging, ready for launch, the captain dutifully took the floor: ‘Men, the journey was long, the hardships difficult, but we have now entered better waters. We may not be the first to set foot on land here, but we are the best equipped expedition to do so. I would like to thank all of you, on behalf of myself and also on behalf of the West India Company.’ The sloops were then launched.

The sea is blue, the sky is gray, or the other way around: the sky is gray and the sea is blue, I thought. Sometimes, things don’t really change. This voyage did have a certain element of tediousness. But our perseverance was richly rewarded. I saw Heere standing on the bridge. His face was relaxed. The deep grooves in his forehead were gone. I was not imagining it: he was gay. I now recognized myself in the captain. He too was standing there like a young boy whose dream had become reality. I was proud of him. I had something more than just sheer admiration for Heere? A preference of man? No, not really; I had had enough of that in that stuffy ship’s berth. An 'outrageously sad ship’s berth of the oceans', is how Betje described it, and he could put things so beautifully now and then.

I don’t smoke, but if I did, I would have gone up to the deck to light a Peter Stuyvesant. Adventure is something you never seek alone.

BB

'Te gek voor woorden' of 'Te gek om vast te zitten', dat is de vraag.

Gepost 2015/03/12

 

Doe als PyQuRiS doet

‘Te gek om vast te leggen in woorden’, zal er bij het thema van de boekenweek 2015 wel bedoeld worden. Niets is te gek voor woorden. Bij woorden gaat het om vrijheid, om uit te drukken datgene dat je wilt. Met letters kan dat ook. 

In 1973 richtte ik met gelijkgezinden de Gekkenkrant op, een krant van en voor gekken. De krant werd verspreid in de Nederlandse inrichtingen, die toen nog vermolmde instituten waren, met hier en daar, een paddestoel, een klein experiment. De Tweede Wereld oorlog was al geruime tijd beslist, in de institutionele psychiatrie moest de bevrijding nog bevochten worden. Dat deed de Gekkenkrant niet alleen, er was toen sprake van een beweging tegen de psychiatrie.

Er werden acties opgezet tegen een nieuwe Krankzinnigenwet, ‘Te gek om vast te zitten’, en ook bijvoorbeeld tegen de shocktherapie. De Nationale Anti Shocktherapie Actie (NASA), stelde een behandelmethode uit de Duitse psychiatrie aan de kaak, een methode met veel neveneffecten die misschien alleen gebruikt mag worden op reeds veroordeelde Nazi’s. De Gekkenkrant werd een succes en een stroom van brieven kwam opgang. Selecties ervan verschenen in de krant. Er verschenen er tussen 1973 en 1980 tweeënveertig  exemplaren. Er was geen strikt beleid in welke brief wel of niet geplaatst werd. Beschrijvingen van ‘misstanden’ gingen zeker voor, het liefst zo gedetailleerd mogelijk, met naam en toenaam. Plaatsing van zo’n brief werd veelal gevolgd door acties ter plaatse, zoals bij het St. Joris in Dordrecht. 

Ik ontving geregeld post van PyQuRiS. De meeste van de letters die PyQuRiS gebruikte, zaten aan het eind van het alfabet. Vele vellen tipte hij ermee vol. PyQuRiS was/is eigenlijk geen schrijver, meer een letterkunstenaar en het waren dan ook geen brieven. Het waren persoonlijke manifesten, met lettercombinaties van PQRSTUXYZ. Het lukte me niet om het belang van PyQuRiS aan mijn mede redacteuren uit te leggen en meestal gingen zijn bijdragen naar het archief. Toch sloeg ik erin om bijgaand Pouwsel op de achterkant van nummer 28 (Gekkenkrant 5(1978)28) te krijgen. Nederland had zijn Dadaïsten, de Gekkenkrant had zijn PyQuRiS, een gek met drie dubbele letterwaarde. 

Dit is een bijzondere bijdrage: PyQuRiS gebruikte klinkers uit het gehele alfabet. De vormgeving was eveneens frappant: een bouwpakket. Ik beweerde dat PyQuRiS een drie dimensionale doorbraak doormaakte in zijn hoogst individuele uitdrukkingsvorm, in een ruimer gebruik van het alfabet en dat PyQuRiS daarom een ereplaats in de Gekkenkrant verdiende. Zo geschiedde. Als de taal beknellend wordt, als de betekenissen van woorden zoek zijn, er geen zinnige thema’s meer zijn, bevrijd dan jezelf, probeer nieuwe vergezichten en betekenissen te verschaffen en scrabbel een eigen syntaxis in elkaar!  PyQuRiS gaf, geeft het voorbeeld. 

 

BB

Amsterdam, maart 2015

Doe als PyQuris doet is ook te vinden bij Nederland Schrijft

Het Verlangen naar Mekka

Gepost 2014/08/30

Misschien is het niet iedereen opgevallen maar tot eind maart 2014 werd in het Rijksmuseum Volkenkunde de expositie Het Verlangen naar Mekka gehouden. De reis van de pelgrims werd tentoongesteld in 100 voorwerpen en kwam tot stand in samenwerking met het British Museum.
Het idee van om de pelgrimstocht weer te geven in voorwerpen was treffend. Muurschilderingen, prenten, dienbladen, kandelaars, foto's. 

In de voorwoord van Het Verlangen naar Mekka schrijft Stijn Schoonderwoerd, Directeur van het Rijksmuseum Volkenkunde: 'Met meer dan 900.000 moslims is de Islam de tweede religie van Nederland. Elk jaar vertrekken zo'n 5000 Nederlandse moslims naar Mekka. Honderdduizenden pelgrims van het Nederlandse Koninkrijk hebben in vanuit Indonesië, Suriname en Nederland de tocht gemaakt.'

Ik zou nog een voorwerp willen toevoegen aan: een Kreidler, een brommer. Tussen 1954 en 1969 werd op het terrein van de Wyldemerk aan de weg van Balk naar Koudum (in Gaasterland, Friesland) een kamp voor honderden Islamitische Molukkers en oud-Knilsoldaten gevestigd. Zie op Facebook: Kamp Wyldemerck. Het idee om met een brommer naar Mekka te gaan was van de Achmed Tan. Het geeft aan hoe graag hij wilde gaan. In 1953 werd hij tot iman van Wyldemerck gekozen. Helaas overleed hij jong en heeft zijn tocht niet kunnen maken. In het verhaal Met de brommer op bedevaart wordt de pelgrimstocht als nog gemaakt.

Zie ook: Tussen schermering en dageraad

De tentoonstelling Het verlangen naar Mekka is inmiddels afgelopen.  El Hizjra heeft de hand weten te leggen op een aantal dozen van het prachtig uitgeven gelijknamige boekje. Inlichtingen: www.elhizjra.nl

Amstelland in Andere Tijden, 13 februari 2014

Gepost 2014/02/13

Woensdag 21 augustus 2013 was de filmploeg van NTR/Andere Tijden op bezoek om te praten over Antipsychiatrie en vooral over Amstelland, een experimentele jeugdafdeling in het Provinciaal Ziekenhuis te Santpoort. Een dapper initiatief, een doorbraak in de psychiatrie, maar Amstelland bestaat niet meer. Het programma werd 13 februari 2014 uitgezonden. Te bekijken op 'uitzending gemist'

In 1973 richtte ik met anderen de Gekkenkrant op en maakte vijf jaar deel uit van de redactie. Over de periode hieraan voorafgaand heb maar weinig verteld. De Gekkenkrant was er vooral op gericht om de gekken een stem te geven, misstanden aan de kaak te stellen en 'weg te nemen dat kwaad berokkent.' Gek genoeg waren mijn eigen ervaringen in Amstelland goed en kijk ik er in dankbaarheid op terug. 

Via 'verhalen' lukt het mij wel om naar die tijd terug te gaan, het ophalen van herinneringen is iets heel anders. In Stemmingen ga ik ook terug in de tijd, maar de gebeurtenissen zijn in een andere context geplaatst. 

Stemmingen is verschenen in Ien mei de Dingen (Friese Pers Boekerij, 2009) en in

Eén met de dingen www.mijnbestseller.nl ).

Vallee des Merveilles