Le Monde du Livre 7Le Monde du Livre 7Twee verhalen voor degenen, die nog nooit iets van

Estoban de Lopez

hebben gelezen

 

- Door onze correspondent - ‘Nooit had Estoban de Lopez er rekening mee gehouden dat iemand zijn goed verborgen geschriften zo gemakkelijk zou kunnen vinden,’ aldus Bert Bakker. ‘De Lopez had ze in het schuurtje waar zijn motor stond begraven, in een kistje, afgedekt met een stoeptegel.' Bakker mocht van de plaatselijke autoriteiten zich toegang verschaffen tot de woning. 'Ik wist dat zijn motor in de schuur zou staan. Ik vond de sleutel van de schuur aan een haakje in de keuken. Ik zette zijn motor opzij en lichtte de steen...’. 

De nogal onbekend gebleven Lopez (1925 - ?) excelleerde in een magisch realisme. De schrijver, net geen tijdgenoot meer van Jorge Luis Borges, een vroege voorloper van Gabriel Garcia Márquez, had zich in zijn laatste (?) levensjaren teruggetrokken in een klein plaatsje in Canada. Hij gaf geen interviews meer, zijn uitgeverij Ad Random was failliet, zijn boeken waren niet meer verkrijgbaar. De Lopez was verdwenen? Nee, de auteur was niet meer beschikbaar. Zijn verdwijning werd aanvankelijk wel opgemerkt, maar niet of nauwelijks nagetrokken.Vrij eenvoudig vond Bakker afgelopen zomer nagelaten geschriften bij zijn ‘geheime’ verblijfplaats.

Bakker: ‘Twee verhalen geven mogelijk een verklaring voor zijn plotselinge verdwijning. Van de Zuid-Amerikaanse schrijver is sinds 1982 niets meer verschenen.’ Had de Lopez zich teruggetrokken om nieuwe verhalen te schrijven? ‘Nee, uit deze verhalen blijkt dat de Lopez zich verschuilde in Canada en op de vlucht was voor een zekere Bill’.

‘Schiep de Lopez bewust een nieuw perspectief op de werkelijkheid, of was hij slachtoffer van zijn eigen fictie en ging hij ervoor op de vlucht?’ 'Het heeft er alle schijn van,’ aldus Bert Bakker die de verhalen in een naschrift voorzag van enige kanttekeningen. 

Het diepe Zuiden

Was hij het die dit overkwam of was het een ander? Naast hem, aan de bar, liep een ruzie uit de hand. Een hoer kwam naar beneden en krijste dat haar klant niet wilde betalen. Vlak voordat de spiegel aan diggelen ging, zag hij dat de waard een honkbalknuppel onder de tap pakte. Hij week naar achteren en liet zich vallen. Eén man aan de bar werd geraakt. Toen werd er geschoten. Een regen van glas viel over hem heen. De waard hing over de tap met zijn knuppel, dood. De hoer wankelde en keek met verbijstering naar het bloed dat uit haar borst liep, ze probeerde het te stelpen tot ze vooroverviel. Ook dood. Hij kon zien dat de klapdeuren van het café verder open werden geduwd. Een man met twee getrokken revolvers stapte behoedzaam binnen, achter hem volgde een vrouw, die in de deuropening bleef staan. Ze stak een sigaret op. Ze droeg een jurk die opwoei door de wind. Rook kringelde uit haar mond.

Er klonk gestommel op de trap, de man met de revolvers opende het vuur. Vanuit verschillende hoeken klonken salvo’s, slechts voor korte tijd. Iedereen is dood, behalve ik, dacht hij, daar gaan we weer. Al dat geweld,  ben ik niet gevangen in de fictie van iemand anders, vroeg hij zich af.

‘Opstaan, meekomen.’ De man stond naast hem en schopte hem. Hij kwam overeind en schudde het glas van zich af. Zijn broek was doordrenkt met gin en tequila.  De vrouw stond nog steeds in de deuropening. Hij voelde een revolver in zijn rug. Hij liep langs haar. Ze rook naar zweet.

‘Is die van jou?’ vroeg de revolverheld en wees naar zijn motor. Hij knikte.

‘De sleutels.’ Hij aarzelde.

‘Nou, kom op.’ Behoedzaam haalde hij de sleutels uit zijn rechter broekzak, wilde ze overhandigen en liet ze toen vallen. O, nee niet weer..., dacht hij.

‘Raap op.’ Hij keek de man aan. Koude ogen, klamme huid, slappe hoed. Hij zag zichzelf bukken om ze op te rapen. Hij wist dat hij nooit zomaar de sleutels van zijn Harley zou overhandigen. Even had hij erover gedacht om dat te zeggen.

Hij liet het steekmes uit zijn mouw zakken, hij voelde het lemmet door zijn linkerhand glijden tot hij het handvat beet had. Hij kwam overeind met de sleutels, nog voor de man ze in ontvangst kon nemen, zag hij zijn blik verstarren, zijn huid bleek worden. Een graflucht kwam uit zijn mond. Even tilde hij hem op, stootte hem daarna van zich af en trok het mes terug uit zijn buik. Hij hield de sleutels als een belletje omhoog. De man zeeg ineen als een zitzak. Een lichtgewicht, een schim, dacht hij. Hij veegde zijn mes af aan zijn broek, likte het af en borg het weer op. Het was doodstil zoals een bergmeer in de vrieskou. In zijn ooghoek zag hij dat de vrouw met een draaiende beweging van haar voet de sigaret doofde.

Is het een ander die dit doet, die dit ziet, die dit overkomt? Maar, het zuiden trok. De hitte van de zon recht boven hem, van het asfalt onder hem. Uitgestrekte landschappen zonder bomen. Hier en daar een cactus, een verlaten benzinepomp, een deur half uit zijn sponningen, krakend in de wind. Of een leeggeroofde bank, een politiebureau doorzeefd met kogelgaten. Dood en verderf. Kadavers in een landschap, aasgieren, vliegen, leegte. Ah, het zuiden met die eindeloos golvende wegen, overdag met zinderingen erboven, ‘s nachts sterren aan de hemel. Vrijheid, dat is wat hij voelde als hij op reis was. In het noorden praatten de mensen graag, ze hadden er parlementen voor opgericht. Democratie ging gepaard met veel discussie. In het zuiden had je dat niet. Daar regeerde het recht van de sterkste. Degene, die kan overleven in de hitte zonder veel water is een kunstenaar, dacht hij.

‘Ik ben die ik ben totdat ik een ander blijk te zijn,’ zei hij eens na een lange tocht. Hij was zover doorgereden dat het kale landschap was overgegaan in een tropisch woud. Hij stopte aan de oever van een rivier om water bij te vullen. Er waren enkele vrouwen die de was deden. Plots werd hij getroffen door een pijl. Hij liet zich voorover in het water vallen. Een stortbui van pijlen kwam over hem heen, een voorbij drijvende boomstam bood tijdelijke bescherming en in een waterval, even verderop, brak hij een been. Ternauwernood wist zich te verstoppen. Hij bond zijn arm af,  verwijderde de pijl, zette zijn been recht en spalkte het met wrakhout. Toen wachtte hij tot de duisternis inviel.

De indianen achtten zich onbespied en dansten om zijn motor. Hij had een klein pistool in zijn laars, een meerschots wapen met zes patronen. Afgezien van de vrouwen telde hij vijf mannen. De vrouwen sliepen, de mannen waren onvermoeibaar en zwaar gedrogeerd. ’s Ochtends vroeg betrad hij de scène, de zon in de rug. Hij liep openlijk, hinkend met zijn gespalkte been, stijf en stram op ze toe. Hij prevelde bezwerende toverformules. Zijn gezicht was gecamoufleerd met modder, zijn rechter arm gewikkeld in een doek. De indianen zagen in hem een geestesverschijning. Op dat moment legde hij ze koelbloedig één voor één neer. De vrouwen liet hij gaan.

‘We hadden vrienden kunnen zijn, maar, in het onontkoombare is een wapen handig en ook het zuiden heeft een grens.'

Het noorden met al die bossen, moerassen, muskieten, de koude in de winter, de korte zomers, hij hield er niet van. Geef mij maar het zuiden, dacht hij, het diepe zuiden. Als hij op reis ging, dan ging hij niet graag alleen. Maar, een man zonder reisdoel leidt een zinloos leven, dat wist hij zeker. Rijden op de chopper, de zon, het zuiden, de reis, dat was zijn ding. Op zijn kompas bepaalde hij een koers en week er dan zo min mogelijk van af. De richting lag vast, de route was onbekend. Hij hield niet van grilligheden, maar wie van de gebaande paden afwijkt, maakt avonturen mee, dacht hij. Hij plande niets. Na een dag rijden stapte hij een bar, een club een café binnen en dan gebeurde het. Het ging vanzelf. Kwam het geweld naar hem toe? Lokte hij het uit? Hij was er niet zeker van.

Ooit kwam hij met verwondingen bij een dokter. Terwijl hij verpleegd werd zei deze: ’Misschien zoek jij niet het geweld, maar zoekt het geweld jou.’ Kwaad werd hij er niet van, de opmerking vervulde hem met vermoeidheid. Typisch een noordeling, dacht hij, als ik daar op inga, verwijst hij me naar een andere dokter, dan praat ik alleen nog maar over reizen, dan staat mijn motor te roesten in de schuur en word ik zo rond als een gehaktbal.

‘Ik leef al in 't ontoegankelijke,

dat nog wel raaklijn aan de aarde heeft,

maar waarvan de meesten 't bestaan niet weten.’*

Wie had die dichtregels geschreven? Hij wist het niet. Eén ding wist hij zeker: Het zuiden trok als een wervelwind, in het noorden zou hij langzaam wegzakken in een moeras van woorden.

 

Estoban de Lopez

(Het diepe zuiden werd vermoedelijk rond 1988 geschreven, getuige enige krantenknipsels en de aantekeningen in zijn agenda. BB)

 

 Warme laarzen

 Van verre herkende hij het geluid van de motor. Hij was achter het huis bij de schuur.  Snel deed hij het hek op slot en verborg zich achter de schutting. Hij woonde in het Noorden, in een rijtjeshuis, in een buitenwijk met een tuintje voor en tuintje achter. Bill zou bij de voordeur aanbellen. Het geluid van de motor kwam dichterbij. Toen hij hoorde dat er aangebeld werd, dook hij ineen, hij verborg zich als een kind. Even later lichtte zijn mobiel op. Op de display stond de naam ‘Bill’. Snel deed hij het toestel weg. Hij was nooit geen held geweest.

Bill had deze week elke dag gebeld. Hij wilde hij weer op pad. Bill ging het liefst naar het Zuiden. Enkele keren was hij met hem mee geweest. Na de eerste keer had hij zich er tegen verzet. Hij wilde niet meer. Bill reisde liever niet alleen en daarom stond hij nu weer bij hem op de stoep. Hij zocht het avontuur, hij wilde graag reizen, maar het eindigde altijd in geweld. Hij durfde het niet meer. Hij wachtte net zolang, dat hij zeker was dat hij weg was. Golven braaksel welden op uit zijn binnenste.

Op een keer reden ze een oase binnen. Ze droegen helmen met headsets erin, om te praten en om muziek te luisteren. Bill zette het geluid zachter. De rit naar het zuiden ging over kapot gereden en onverharde wegen. De gehele dag hadden er gieren meegevlogen en die streken nu neer in de palmbomen. Hoog op kale takken keken ze op hen neer. Het leek alsof de gieren de muziek volgden.

‘Watch out,’ hoorde hij hem fluisteren, toen draaide Bill het geluid weg. Stapvoets reden ze verder de oase in. Plots, op het zelfde moment gaven ze samen kort en snel vol gas en trapten ze meteen de rem in. Slippend, met gierende banden in een wolk van stof kwamen ze schuin tot stilstand en meteen, in één vloeiend gebaar zetten ze de motoren recht en trokken ze terug op hun standaard. De lucht trilde alsof er een tweemotorig vliegtuig landde, en toen ze samen hun Harleys uitzetten was het was even doodstil. Al snel daarna werd alles overvleugeld door het gestjirp van duizenden krekels.

Hij keek om zich heen. Waar waren ze aangeland? In een uitgebrande kerk smeulde nog vuur. Kippen scharrelden hoogpotig rond. Een kind werd meegenomen achter een schutting. Bij een verlaten benzinepomp stonden autowrakken. Verder was er geen hond te zien.

De zon was gezakt, maar het leek alsof de temperatuur toenam. Je was gek als je in deze tijd hier doortrok. Een oase? De geur van verderf. Een broedplaats van vervuiling, lamgelegd in de hitte. Ze hadden dorst.

Ze gingen de saloon binnen. Het was er een ravage, alsof er zojuist een uit de hand gelopen ruzie was geweest. De klapdeuren hingen uit hun scharnieren. Al het meubilair was aan stukken. Gebroken spiegels, glas overal, kogelgaten, kruitdamp. De klok stond stil op even voor twaalf. De barkeeper leek onverstoorbaar zijn werk te doen. Er zaten cowboys aan de bar. Ze gingen erbij zitten, ze bestelden bier en whisky. Lauw bier, lauwe whisky, geen ijs. Op de bar lag een stuk serrano ham, een vieze lap moest de zwerm vliegen er vanaf houden. Het stonk. Ze hadden honger, ze dronken, we aten en zo werden ze  – of ze wilden of niet – tijdloos opgenomen in een landschap van hallucinaties.

Opeens keek Bill oplettend rond en stootte hem aan. De vloer leek te bewegen, uit een mand slopen slangen. Buiten viel de duisternis in. De gieren waren voor de saloon neergestreken en hongerig scharrelden ze voor de deur op zoek naar dood vlees.

‘De tekenen zijn er, je wordt onderdeel van een vertelling,’ zei hij, ‘een zuidelijke vertelling.’ Op dat moment schoot hij twee slangen dood die onder hun krukken doorschoven. Geklapvlieg van de opstijgende gieren. Pas toen realiseerde hij zich dat hij niet wist hoe Bill eruit zag. Bill droeg altijd een zonnebril. Zijn gezicht was altijd bedekt met donkerglas en haar. In zijn snor hing nu schuim van het bier. Een goedzak met een oude motor, meer camouflage had hij niet nodig.

‘Ik ben niet wie ik ben,’ zei hij.

Bill ging staan en vermorzelde de kop van een slang zoals een ander een sigaret dooft. Nog voor één van de mannen zijn revolver kon trekken, schoot hij hem neer. Het leek alsof er eeuwen van geweld in hem terugkeerden, alsof er een bloeddorstig beest in hem was getrokken. Een weerwolf. Bill stond midden in de saloon met een shotgun en een stukgeslagen bierfles. Kogels vlogen in het rond. Zijn gedaantewisseling was frappant en het resultaat was verrassend.

Een kastdeur week open, een ingezakt lijk viel naar buiten. Boven had iemand zich verschanst, nog voor hij kon schieten, viel hij dodelijk gewond over de balustrade. Toen de man nog bewoog, maakte Bill hem koelbloedig af.

Hij keek met verbijstering om zich heen, hij zat er midden tussen in, hij had geen wapen en hij werd niet geraakt. Hoe was dat mogelijk? Bill zag alles, Bill dekte hem. Plots duwde hij hem opzij. Een man sloop naar beneden. Hij schoot hem neer en de man tuimelde voorover de trap af. Toen kwamen de gebeurtenissen plotseling in een stroomversnelling. Zo werd het geboekstaafd:

Bill wees naar de vloer. Overal krioelden nu slangen en ik droeg sandalen. Bill trok de laarzen van zijn laatste slachtoffer uit en gaf ze aan mij. Snel trok ik ze aan.

‘Warme laarzen!’ hijgde ik. Ik moest overgeven. Bill dekte de aftocht, maar iedereen was dood. Ik herkende mezelf niet meer, ik zag mezelf achter de bar, de dode barkeeper opzij duwen en de inhoud uit de kas pakken. Ik  nam het water, de whisky en de ham mee.

Even daarna reden ze in helder maanlicht verder. Schorpioenen kwamen te voorschijn vanonder donkere stenen, wolven huilden en sterren trokken lijnen in hun val. Ze gaven de fles aan elkaar door en Bill zong mee met een lied. Hij kende het niet, maar steeds als hij dit lied hoorde, werd hij misselijk. Dat heeft hij nu ook met warme laarzen en het geluid van Harley Davidsons.

‘San Quentin, you've been livin' hell to me.

You've hosted me since nineteen sixty three.

I've seen 'em come and go and I've seen them die.

And long ago I stopped askin' why.’**

 

Esteban de Lopez

(De Lopez schreef Warme Laarzen vermoedelijk vlak voor definitieve verdwijning in 1989. BB)

 

Verstoppertje spelen

- Door onze correspondent - In Het Diepe Zuiden en Warme Laarzen gaat Estoban de Lopez terug naar de tijd van de gewelddadige thematiek die zo kenmerkend was in zijn stijl. Opnieuw mengt hij een soort realisme met wonderlijke gebeurtenissen. Fantasie en werkelijkheid lopen weer door elkaar.

Estoban de Lopez is springlevend! Hij verschool zich in Canada en in deze verhalen lijkt ook de hoofdpersoon zich voor een zekere Bill te verschuilen. De Lopez gebruikte verschillende technieken om zich te verbergen in woord en daad en we kenden hem van zijn camouflagepakken in oorlogsgebied. Wie is de ‘Hij’ in Het Diepe Zuiden? Bill? En wie is de man die zich verbergt in Warme Laarzen? De auteur zelf? We weten het niet.

Opnieuw maakt hij in deze verhalen de afstand tot zijn personages zo klein mogelijk. Maar we moeten goed lezen. De Lopez zit verstopt in de coulissen, in broekzakken of hij verschanst zich in een hokje op het toneel en fluistert zijn hoofdrolspelers de dialogen in. Was de Lopez een verstekeling in zijn eigen teksten? Iemand die de non-fictie ontvluchtte naar een beloofd land, een voortvluchtige, een landverhuizer, een gek met verschillende identiteit-crises?

Zelden lukt het een schrijver om als schepper helemaal onzichtbaar te blijven. Het omgekeerde is ook mogelijk. Sommige schrijvers zetten zich zozeer op de voorgrond dat ze in de weg staan en het niet mogelijk is nog iets anders te zien. Zij zijn de personages en hun werk is een egodocument. Ze gebruiken dan de ik-vorm, de directe rede. Summier, heel even slechts, in het tweede verhaal, gebruikt de Lopez deze. De afstand en nabijheid die de schrijver tot zijn personage(s) houdt, maakt het verstoppertje spelen interessant en dat blijkt weer in deze twee verhalen: Estoban de Lopez is en blijft actueel!

De zogenoemde vrije indirecte rede is een kruising tussen de directe en de indirecte rede, waarbij de afstand tussen verteller en personage zo klein mogelijk gemaakt wordt. Je weet niet meer goed wie aan het woord is en zo wordt het moeilijker de schrijver (terug) te vinden. Ook in Het Diepe Zuiden maken een tocht op de motor met Bill:

‘De indianen achtten zich onbespied en dansten om zijn motor. Hij had een klein pistool in zijn laars, een meerschots wapen met zes patronen. Afgezien van de vrouwen telde hij vijf mannen. De vrouwen sliepen, de mannen waren onvermoeibaar en zwaar gedrogeerd. ’s Ochtends vroeg betrad hij de scène, de zon in de rug. Hij liep openlijk, hinkend met zijn gespalkte been, stijf en stram op ze toe. Hij prevelde bezwerende toverformules. Zijn gezicht was gecamoufleerd met modder, zijn rechter arm gewikkeld in een doek. De indianen zagen in hem een geestesverschijning en gilden van angst. Op dat moment legde hij ze koelbloedig één voor één neer. De vrouwen liet hij gaan.

‘We hadden vrienden kunnen zijn, maar in het onontkoombare is een wapen handig en ook het zuiden heeft een grens’.

Van wie is de laatste zinsnede? Van Estoban de Lopez, van Bill? In deze scène wil Bill zijn motor terug, dat is begrijpelijk. Bill lijkt ermee behept dat het geweld zo naar hem toekomt en dat hij zich moet verdedigen. De Lopez geeft hem deze algemene gedachte mee. Bill intrigeert, misschien wil de Lopez ook niet overdrijven; zoals een film van de huidige Tarantino intrigeert of een martial art film. Het lijkt beter dat de gedachte aan Bill wordt toegeschreven en daarom gebruik hij de vrije indirecte rede. De zinsnede is geen innerlijke monoloog, het is een tijdloze alwetendheid ‘dat wapens soms handig zijn...’ In die zin, op dat moment in het verhaal is de auteur aan de zijde van Bill en speelt de Lopez geen verstoppertje. Werd hem dit te veel? De Lopez verstopte zich in Canada, want nog een tocht op de motor met Bill zou hij niet overleven. Werd hij angstig van zijn eigen personages? Leefde hij in een nachtmerrie waaraan hij niet kon ontsnappen? De Lopez was niet meer the easy rider van zijn jeugd.

Van de plaatselijke autoriteiten kreeg ik geen bevestiging van zijn doodsoorzaak. Zijn lijk is nooit gevonden. Is hij gedood, heeft hij zelfmoord gepleegd om deze Bill te ontlopen? Leeft hij nog? Misschien zullen we het nooit te weten komen.

Bert Bakker

 

* Opmerkelijk: het kan niet anders of De Lopez verwijst hier naar een gedicht van Slauerhoff.

 

[Ik leef al in ’t ontoegankelijke], Slauerhoff, J.J. Verzamelde gedichten.

Deel 2. A.A.M. Stols, Den Haag 1947 (tweede druk)

 

Ik leef al in 't ontoegankelijke,

Dat nog wel raaklijn aan de aarde heeft,

Maar waarvan de meesten 't bestaan niet weten

En, als ze er van hooren, 't ontkennen,

Verwaten als ze zijn; nu zeg ik: terloops

Op sommige dagen komt het dichtbijer,

Behoort zelfs een streep aarde er toe,

Waar bloemen staan tusschen oever en water,

Bergen teloorgaan in vlucht van wolken.

Op die dagen, gaande langs die gebieden,

Kon men overgaan zonder doodsstrijd,

Zonder angst voor het einde - vervliedend.

Maar menschen wagen zich niet op uiterste paden

Die hun te smal, te steil zijn, te ver,

Tusschen wolken en bergen, oevers en water.

 

 

** De Lopez moet hier wel naar het beroemde lied van Johnny Cash verwijzen:

 

San Quentin

San Quentin, you've been livin' hell to me.

You've hosted me since nineteen sixty three.

I've seen 'em come and go and I've seen them die.

And long ago I stopped askin' why.

 

San Quentin, I hate every inch of you.

You've cut me and have scarred me thru an' thru.

And I'll walk out a wiser weaker man;

Mister Congressman why can't you understand.

 

San Quentin, what good do you think you do?

Do you think I'll be different when you're through?

You bent my heart and mind and you may my soul,

And your stone walls turn my blood a little cold.

 

San Quentin, may you rot and burn in hell.

May your walls fall and may I live to tell.

May all the world forget you ever stood.

And may all the world regret you did no good.

 

San Quentin, you've been livin' hell to me.

 

Johnny Cash