Het weiland

 

Het lege weiland lag zich eindeloos te verwonderen

over het vanzelfsprekende van haar weidse aanwezigheid

Een horizontale vlakte van ontelbare halmpjes

glimlachte trillend van zilverlichte dauw en rijp

Hoog in de lucht riep een vlucht wilde ganzen

langs de slootkant zaten zwanen wit en stil bijeen

Maar er ging eenaardedonkere worsteling verborgen

achter de norse tractorsporen in de bevroren modder

Uit: Herfst in Harich

J.C. Jansen.

(Gedichtenbundel, uitgegeven in eigen beheer, 1995)

 

 

 

Warme stront

(om te luisteren, klik hier)

’s Ochtends 9 uur. Ik liet mijn geweer zakken, klapte het open en haalde voor de zekerheid de twee patronen eruit. Ik liep over het pad naar de open weide Links de dijk. Daarachter zaten vermoeide eenden. Die zouden straks worden opgejaagd. In de verte zag ik de drijvers komen. Oane en Pier.

Twee grijze auto,s zo groot als lijkwagen stonden rechts aan het hek. Twee mannen in het veld, keurig in het pak alsof het zondag was. Ze hadden een kaart bij zich.

Goeie,” zei ik.

Koeien?” zei de een tegen de ander, “In de wijde omtrek is geen koe te zien.” Ze keken weer op de kaart. In de auto’s zaten nog twee mannen. Achter het stuur. Chauffeurs? Ik liep voorbij, herlaadde mijn geweer en klapte het dicht. Ik legde het op mijn linkerarm zodat de loop omhoog bleef. Ik draaide me om en keek nog een keer goed naar deze mannen en de auto’s. Nederlandse nummerborden.

"Ik geef u vijf tellen om u hier uit de voeten te maken.” Zei ik. Mijn geweer hield ik hoog. Achter me hoorde ik eenden opvliegen. Ik draaide me om, legde aan en haalde feilloos twee eenden neer. De hond kwam vliegensvlug te voorschijn om de buit te halen.Ik liet mijn geweer weer zakken, wipte de patronen eruit en herlaadde. Achter me hoorde ik zware portierdeuren dichtvallen. De auto’s reden weg.

Half tien. Tammie, het kooikershondje kwam als eerste met de buit aangehold. Speels en bruisend van levenslust. Goed getraind. Volop genietend van de jacht, lichtvoetig met een sierlijk wuivende staart. Vrolijke metgezel van Oane en al zijn huisgenoten. Pier en Oane kwamen aangelopen. Over mijn land, het land van de Heren van Althusius. Uitstervend ras, dat waren we, oude adel, niet rijk. Veel bezittingen, veel zorgen. Aan verkopen dachten de Heren nooit. Verkopen dat was voor handelaars. De jacht, dat was het leven, daar moest alles voor wijken. Beheerder, rentmeester, bewaker zo zagen dezen Heren zichzelf. De mannen waren tevreden. Ik kreeg complimenten: “Perfect geschoten meneer, twee keer raak. U bent in vorm.”

“Wat doen die projectontwikkelaars op uw terrein?” Vroeg Pier.

Ik antwoordde: “Nieuw beleid. Elke gemeente wil hier uitbreiden: woningen, bedrijfsterreinen. Die plannen worden in elkaar geflanst. Dit gebied ligt ten westen van het dorp. Ideaal voor hun plannen. Het ligt iets hoger dan de weiden verderop. Ze willen hier villa’s aan de dijk en aan deze kant is een bedrijfsterrein gepland. Ik heb ze gezegd dat ik niet verkoop. Ze gaan ervan uit dat ik bijdraai.” 

Projectontwikkelaars, daar draaide ik nooit voor bij. Geboefte. Na een onderonsje in de gemeenteraad stemden ze nog even officieel. Dan begonnen ze meestal direct met het bouwrijp maken of nog liever: met de verkoop van percelen. Die ontwikkelden plannen zoals koeien vlaaien schijten. Landje pik. Modern spel: eerst verkopen, dan bouwen. In de buurt van mijn landgoederen waren nog nooit zulke projecten gelukt. Er werd echter veel belang gehecht aan dit nieuwe plan. Dat wilde zeggen, er viel veel te verdienen: voor raadsleden, voor de verkopers, voor de bouwers, de architecten. Het werd de laatste tijd steeds drukker.

“Ik verkoop niet.” Of liever: “Wij verkopen niet.” Oane en Pier glimlachten: zo kenden ze me.

Waarom ze over mij spraken alsof ik in het meervoud bestond, wist ik niet. Ik was de laatst overgebleven heer. Mijn familie was hier weggegaan en ik had ze kunnen uitkopen. Helemaal ongelijk kon ik ze niet geven. Ik had het gevoel geen keuze te hebben. Er moest iemand zich met deze landgoederen in deze uithoek bemoeien. Ik bezat nog steeds een niet onaanzienlijk deel. Her en der bezat ik nog meer landgoederen. Die werden verpacht. We, mijn vrouw en ik, woonden in de Pauwenhof, een echte heerlijkheid, maar ook modern verhuurbedrijfje. Kasteel te huur, voor bruiloften en partijen! Het geld moest ergens vandaan komen. Het project van de ontwikkelaar was te omvangrijk en te lucratief. Er werden bedreigingen geuit. Het was goed dat Oane en Pier er waren. Misschien spraken ze over mij als de “Heren” omdat ik niet alleen land bezat, maar ook dat ik advocaat was. Er was geen bestemming plan in de maak of ik wist van. Mijn kennis ging verder dan de rechtbank hier of de Raad van State. Desnoods voerde ik processen tot in Straatsburg. Ze kenden me daar “als een sterk stilist, die met een goed gevoel voor timing, vecht voor elke boom, elke struik, voor elk doorkijkje en elk stukje horizon.” Was ik boven een enkelvoudig personage van een streekroman uitgestegen? Telde dat misschien voor twee? De kracht van mijn pleidooien moest luid klinken. Hier in deze uithoek, zeker, maar ook ver weg in Europa. Dat deed ik niet alleen. Mijn vrouw, ook juriste, hielp. Spreken ze daarom over ons in meervoud? We verzekerden de landgoederen van een ongerepte toekomst. Maar achter elk norse tractorspoor lag een worsteling verborgen. De druk werd opgevoerd. Misschien zo dit project niet meer met juristerij gestopt kunnen worden. Er kwamen meer bedreigingen en dat ze zo ons terrein kwamen, betekende weinig goeds.

“Waar het gros van de mensheid zich zoal mee bezig houdt, dat weet ik niet,” zei Oane, “maar gelukkig zie ik zelden hier een mens hier bij de jachthut. En dat is maar goed ook. Want niemand heeft hier iets te zoeken.” De jachthut was alleen lopend of met de fiets te bereiken. Ze stond aan de rand van mijn land. De jachthut werd bewoond door Oane en hij was jachtopziener, imker, kooiker, assistent van de Heren, bewaker van huis en erf. Al jaren. Oane de S.” zo kwam ie voor in de politieverslagen. De “S” stond voor stroper. Hij beheerde de eendenkooi. Samen met Tammie, het kooikerhondje. Zorgvuldig door Oane opgeleid. Al het boventallige wild, ongeacht welk seizoen werd door Oane neergelegd. Hij kende het gebied als zijn broekzak. Oane was geen allemansvriend. Nieuwkomer Pier werd aanvankelijk met grote achterdocht besnuffeld. “Met een bijpassend gegrom.” Zo reageerde hij, als een hond die het niet vertrouwde. Hij snauwde hem af alsof z’n nestgeur hem niet aanstond. Had hij iemand geaccepteerd dan was er een vriendschap voor het leven gesloten. Hij was net als zijn hondje Tammie eigenlijk. Pier was door de ballotage. Pier was O.K..

Half elf dezelfde ochtend. Opnieuw dreiging. Zo ging het: “Oane en ik lopen met een boog om het landgoed heen om opnieuw onder de wind te komen. Een half uurtje om. Als we door het bos gaan, komen we aan de rand van het landgoed. Daar staan bijgebouwen, schuren voor het gereedschap. De koeien staan nog binnen. De mestvaalt en verderop staat de jachthut. We hebben een goede kans nog eenden te treffen. Oane en ik lopen nu elk met een geweer en Pier maakt een rondtrekkende beweging om bij de hut te komen. Als er nog eenden zitten hebben we een goede kans en vrij gebied om te schieten. Op dat moment zien we één van de twee auto’s het terrein op rijden. Hij gaat in de richting van de bijgebouwen.” We zagen de chauffeurs uitstappen. De twee andere mannen met de kaarten waren er niet bij. We hadden beiden onze geweren geladen. Veel woorden waren niet nodig. Eén van de mannen draagt een jerrycan. We liepen langs de auto. Misschien spraken ze over mij in tweetallen, maar met Oane telden we voor vier. De scene was ons meteen duidelijk. We snijden ze de pas af ,vlak voor de mestvaalt. Ik zei: “Uw bazen hadden vijf tellen om zich uit de voeten te maken. Die tijd is verstreken.”

De chauffeurs hadden koele blikken zoals acteurs die hebben in moderne misdaadfilms. Oane en ik traden meer op zoals je dat ziet in cowboyfilms. Acteurs in verschillende films. Op dat moment zagen we Pier onopgemerkt achter de mannen te voorschijn komen. Zij hadden niets in de gaten. Waren onder de indruk van onze dubbelloops geweren? Hij knielde achter één van de mannen en Oane duwt de man zo over hem heen de mestvaalt in. De aarzeling van de andere man gaf mij precies genoeg tijd voor een duw. Hij viel zijdelings in de koeienstront. We hielden ze onder schot totdat ze er helemaal onder zitten.

“Draaien, liggen blijven, handen op de rug,” riep Oane dreigend. Ze kregen boeien om. De mannen werden op de mestkar geladen en met de trekker naar het gemeentehuis gereden. Daar werden ze zonder veel commentaar overgedragen. De villa’s en het bedrijventerrein zijn er nooit gekomen

“De geur van mest gemengd met stro, ruik je hier overal. Geen verzuurde troep, maar warme en dampende stront. Dat moet zo blijven.”  Wie dat zei weet ik niet meer, maar het zou mij niet verbazen als dat de Alwetende Toeschouwer was.

“Westerns doen het hier beter dan die moderne politieseries.”  Dat zei ik zelf.

Bert Bakker

 

Opgedragen aan Jan Bert de Jong

(Met Jan Chris Jansen op CD gezet. "Gods zegen rust op deze akkers" (Eerste verhaal in een serie van drie op CD) (Vertaald in het Fries voor HJIR (juli 2007) door Boukje Stavinga. Opgenomen in Three short Stories, www.amazon.com