Klik hier om te luisteren.

Een scheepshut

Een slaapplaats voor zes man, niet meer. Ieder een eigen kooi. Drie boven elkaar. Haringen in een ton. Ik lag bovenin. Betje lag aan de andere kant, ook bovenin. Een kleine scheepshut op een galjoen. Omstreeks het jaar 1623. 

Ik lag mijn kooi. Ik kon geen oog dicht doen. Ik zag mezelf liggen. Ik dacht aan mijn ouders. Zou ik ze ooit terug zien? Ik was één van de jongsten aan boord, samen met Betje. Wij wilden persé mee met de Narwal, kostte wat kost. Het avontuur zochten we. Dat kregen we. Storm. Gevechten met Engelsen en Portugezen. Maar nu werd de nachtelijke stilte steeds dreigender. Zou het goed aflopen met kapitein Heere en zijn schip? We moesten met hem mee en met niemand anders. Februari, twee jaar geleden in Amsterdam bij het Bolwerk Blauwhooft aan het IJ. Ik zag ons nog rennen.

Betje voorop, ik er achteraan. We zijn uitgeput, we snakken naar adem. Het galjoen van Wijnhoudt Heere. Wat een pracht en praal. Gods allemachtig, wat een schip. Een achtersteven met versierde zeemeerminnen. Goud, blauw en wit. Hoeveel masten heeft ie niet? ‘Hoger dan de Schreierstoren!’ Als we nog mee willen is er haast geboden. Op de brug staat de trotse Heere, de kapitein. Hij geeft hier de bevelen. Soms lukt het om onopgemerkt aan boord te komen. Betje is de snelste. Vlug maakt hij een kleine sloep los en roept: ‘Wat sta je daar, gaan we nog of niet? We slepen de sloep langs de afsluitboom, springen aanboord en beginnen als gekken te roeien.  De sloep tolt in het rond. Toch krijgen we hem op koers naar de Narwal. We weten langszij te komen. Meteen worden we ge-enterd en aan boord gehesen.

    'Hoe heet jij?' vroeg Heere,  toen we bij hem werden gebracht.

    ‘Jacob.., Jacob Dik,’  antwoordde  ik. Ik was bang dat we meteen weer van boord gezet zouden worden. Ik had hem nog nooit van zo dichtbij gezien. Hij was mijn held en voorbeeld. Ik stond te trillen op mijn benen. Die oogopslag, zijn geborstelde wenkbrauwen, het gefronste voorhoofd. ‘Die kijkt dwars door je heen, dacht ik.

    ‘Denk maar niet dat ik voor jullie terugga. Onmogelijk. Ik gooi jullie eruit bij Pampus,’ zei Heere.

    'Bootsman, zet dit tweetal beneden in het ruim vast en laat ze maar goed eens nadenken.

    ‘Twee verstekelingen aan boord!’ riep de bootsman naar beneden. Gegrijns van de bemanning, gratis koksmaatjes, twee uilskuikens, kinderen nog. Maar Betje en ik waren aan boord.

Zo begon het. Eerst waren we verstekeling, algauw werden we gewoon ingedeeld bij de bemanning, leeftijd maakte niet uit op het schip van kapitein Wijnoudt Heere. Niemand zou hier oud worden. Dat was een gegeven. Hoelang voeren we nu? Jaren al. 1621 voeren we weg uit Amsterdam. Het galjoen was uitgerust voor de kaapvaart, beladen met kanonnen en munitie en op weg naar verre wingewesten. Ik moest mee, ik had geen keuze. Betje ook niet.

Geen wind, weken, maanden, hoe lang al? Ik lag maar in mijn kooi. Ik kon maar niet slapen. Het schip bewoog zacht. Niets aan te doen. We zagen Heere nauwelijks nog op de kampagne, Hij at niet meer mee. Hij stond hele dagen over een kaart gebogen. De bootsman zei: ‘Op die kaart bevinden zich lege plekken.’ Hij zat 's nacht eindeloos naar de sterren te turen en maakte berekeningen met een instrument dat ik niet kende. De bemanning was ongerust en roerde zich steeds meer. ‘Heere is de weg kwijt.’ En ‘Heere wordt matteklap’, zeiden ze. De tijd verstreek soms als in een zandloper, maar nu droop het als stroop van een lepel. Het galjoen lag stil ergens op een zee. Roerloos. Eenzaamheid is een zeilschip zonder wind.

Al in geen maanden hadden we land gezien. We lagen te schommelen in een zachte deining. Het roer knarste, de masten knarsten. De zeilen klapten af en toe en bleven slap hangen. Midzomer. Bloedheet.

De stuurman stond aan het roer, anders ging het schip al snel rondjes draaien met zijn hoge achtersteven. Dit schip verlijerde als de pest. Het zag eruit als een kip die graan pikt. Kont omhoog. Wellicht draaiden we al weken in grote ronden. Met de Narwal was geen koers uit te zetten. De kapitein liep maar op het achterdek boven zijn hut, te ijsberen. Hij sprak nauwelijks met iemand. De bemanning morde en spande samen. Veel zieken aan boord. Wie stierf, kreeg een sober zeemansgraf. Niemand wilde zo sterven.

Ik dacht niet dat we verdwaald waren.  Ik ging naar Heere toe op de brug.

    Ai, ai, kaptein, alles naar wens, alleen te weinig wind, is het niet?’ zei ik. Ik was al zolang aan boord dat ik me  vrijheden kon veroorloven. Ik was allang geen koksmaat meer. Heere zag dat ik slim was en zo kreeg ik al snel meer vrijheden. Ik hielp de stuurman. Ik mocht op de brug komen. Soms vertelde hij nieuwe dingen. Ik stak daar veel op van kapen en navigatie.  Ik zag vanaf die brug hoe Heere en zijn mannen een Engels schip bekwaam torperdeerde, zodanig dat het niet direct zonk en alle waardevolle buit overgeladen kon worden. Nu bromde hij me toe: ‘De kaapvaart verdient goed, maar we gaan hier nieuw land vinden en een vesting stichten. Heb je onlangs die duif op de voorplecht gezien? We zitten niet ver van een kust af. Ik weet het zeker.’

Duiven? Ik had geen duif gezien. Soms, op grote hoogte, een enkele albatros. We zagen helemaal geen land en we dobberden maar doelloos rond op een eindeloze zee. Heere begon op mij toch ook wel een zonderlinge indruk te maken. ‘Zou hij wel eens aan zijn ouders denken?’ dacht ik. ‘Houdt hij wel voldoende rekening met de zeelui?’ Het gemor begon steeds meer toe te nemen. Ze wilden muiten, ze waren het beu. Ze overdreven, er was nog niet zoveel aan de hand. Misschien was dat het probleem.

Wijnoudt Heere was in alle opzichten een bijzonder man en had al verscheidene succesvolle reizen gemaakt. Een doorzetter. Hij kwam nooit met lege handen thuis. Voor deze reis werd speciaal de West Indische Compagnie opgericht. Heere was een zeeman die op zoek was naar bloeiende wingewesten. Een man die geld verdiende voor zijn stad, niet iemand die thuis bleef om over zijn verdiensten op te scheppen. Nors was hij ongetwijfeld en  bij tijd en wijlen bruut. Dat was elke zeeman. Als je die eigenschappen niet had, was overleving onmogelijk. Heere had meer: hij was ook een zakenman die desnoods in de slavenhandel ging om zijn brood te verdienen. Een uitmuntende pionier. En dat schip van hem had een lieve duit gekost. Zonder de Compagnie had ie dat nooit gered!

 Dat wist ik al van Heere voordat ik aan boord kwam en ik deed navraag onder de bemanning. Velen kenden hem niet eens. Avonturiers, net als Betje en ik, maar zonder bagage. Scheepsvolk, zonder bier en jenever gemakkelijk tot oproer op te stoken. Heere bekommerde zich er niet om. Ik ontdekte dat ie verdraaid goed op de hoogte was van de stemming. Hij gebruikte mij ook om meer te weten te komen. Dat zou ik ook doen als ik kapitein was.

Op een dag stootten we op een grote dode vis, die een speer in zijn buik had. We voeren langszij. De bemanning reageerde angstig. Het was een speer met gekleurde kralen. Heere nam hem mee naar de brug en deed er het zwijgen toe. De spanning steeg.

    ‘Gestommel, zachte stemmen. Het is nacht, duizelingwekkende  sterrenhemel. Heere staat op de kampagne. De bootsman besluipt hem van achteren. Betje en ik zitten een dek lager. Wij zien het gebeuren.

    ‘Kapitein, achter u’, roep ik’. Maar Heere had het blijkbaar al gezien of misschien wachtte hij hem op.

    Man overboord!’ Klonk het met luide stem. Weg bootsman. Heere liep langs ons en knipoogde.

Ik lag in mijn kooi en de gebeurtenissen speelden door mijn hoofd. Ik moest opeens heel sterk aan vroeger, aan het verhaal van Jonas in de Walvis, denken. Ik was die Jonas op een groot en stuurloos schip? Zouden we uitgebraakt worden? Ik was bang, het werd steeds onwerkelijker.

    ‘Is Heere niet echt gek aan het worden?’ vroeg de bemanning aan mij. Nauwelijks aan boord en ik had al een positie van informant.  Heere met zijn visioenen. Maar ik wist dat hij gelijk had: we gaan nieuw land ontdekken. Ik voelde het aan m’n water. Alleen wanneer, dat was de vraag. Zo kreeg deze reis veel van een droom. Een foetus in de baarmoeder, een scheepje op Gods wateren.

Op een nacht werd ik plotseling wakker: grote beroering aan dek. De mannen renden op en neer. Het geschut werd in gereedheid gebracht. Ik maakte Betje wakker.

    ‘Land in zicht!’  blufte ik. Nog waar ook! Op nog geen vijfhonderd meter zagen we: groen (bomen struiken, velden), blanke zandstranden. De monding van een rivier, een baai. We zagen heuvelen en dalen. Een ongerept gebied zover als het oog reikte. De bemanning had algauw in de gaten dat dit een bijzonder visrijs gebied was. Zalm rondom het schip.

Op het moment dat de mannen alles in gereedheid gebracht hadden en twee sloepen klaar hingen voor de tewaterlating, nam de kapitein plechtig het woord: ‘Mannen, de tocht was lang, de ontberingen zwaar, maar nu komt alles in beter vaarwater. Wij zijn niet de eersten die hier voet aan wal zetten, maar wel de best uitgeruste expeditie. Ik wil jullie allen bedanken namens mijzelf en ook namens de West Indische Compagnie.’

Toen gingen de sloepen te water.

‘Een zee is blauw, een lucht is grijs, of omgekeerd: een lucht is grijs een zee is blauw,’  dacht ik. Weinig nieuws soms. Een zekere eentonigheid had deze reis wel. Maar uithoudingsvermogen werd beloond. Ik zag Heere op de brug staan. Zijn gezicht was open en blij. De groeven in zijn voorhoofd waren weg. Ik verbeeldde me het niet. Ik herkende mezelf nu in de kapitein. Hij stond daar ook als een kleine jongen wiens droom werkelijkheid was geworden.  Ik was trots op hem. Ik had meer dan gewone bewondering voor Heere. Heerenliefde? Nou nee, daar had ik meer dan genoeg van in die benauwde scheepshut. Een 'ongehoord treurige scheepshut der oceanen', dat zei Betje en die kon de dingen soms mooi zeggen.

Ik rook niet, anders was ik naar dek gegaan en had ik een Peter Stuyvesant op gestoken. Het avontuur zoek je nooit alleen.

Bert Bakker

28 augustus 2007

 

Een ‘Scheepshut’ is eerder verschenen in: Lava 13.3 en in  Ien mei de dingen  (Noordboek, Friese Uitgeverij, 2009). Vertaald als Eén met de dingen, verhalenbundel, verkrijgbaar bij http://www.mijnbestseller.nl