De Ware Tijd (Paramaribo, 19 oktober 2009) De Ware Tijd (Paramaribo, 19 oktober 2009) Dikke Doekoes

Met een schreeuw werd Betje wakker. Hij sloeg met zijn hoofd onder tegen mijn kooi. Ik hing al een tijdje over de rand en luisterde naar  zijn geraaskal: ‘Doekoes man, dikke doekoes, duur man. Goudkust, zilvervloot, Tapanahoni, Coeronie...’

Met een schreeuw werd Betje wakker. Hij sloeg met zijn hoofd onder tegen mijn kooi. Ik hing al een tijdje over de rand en luisterde naar  zijn geraaskal: ‘Doekoes man, dikke doekoes, duur man. Goudkust, zilvervloot, Tapanahoni, Coeronie...’

Gonorroe? Hij lag te rillen. Schuim op zijn mond. Hij prevelde maar door: herinneringen, kreten, visioenen. Vooral visoenen van een zekere Johanna. Zij kwam veel voor in de woordenstroom. Hij wilde haar waarschuwen? Ze was ongetwijfeld een schoonheid.  Een mulattin? Hij wilde haar redden... Betje: ‘Vertrouw ze niet. Jij bent niet gelijk aan hen. Ze buiten je uit! O, Johanna.’ Dan lag hij weer te rillen. Dingen uit verre toekomsten zag hij. Onbegrijpelijke beelden: ‘Glimmend zilver, broodjes.’ Plots kwam hij overeind en riep: ‘Bauxiet!’

‘Bau, wat, Betje?’

Hij stootte zijn hoofd weer, viel terug in zijn kooi en daar ging ie weer: ‘Brokopondo, man. Doekoes, dikke doekoes.’

In Afrika had hij malaria opgelopen. Malaria? Rode vlekken. Hij had ook zweren en pijnlijke plekken onder zijn voeten. Er was meer aan de hand.  Hij stonk van ontbinding, maar hij was mijn maat. Ik moest huilen.

Gestommel op het gangboord. Dan gaat de deur van de hut open en Wijnhoudt Heere, onze kapitein, staat in het midden. Hij kijkt me aan: ‘Jacob? Waar ligt Betje?’ Ik wijs naar beneden, naar zijn kooi, het hol waarin ie ligt te creperen. Heere heeft een prachtige vrouw bij zich, met een gratie die ik nooit bij enige Hollandse vrouw zag. Een aardse schoonheid met de uitstraling van een heilige. Zijn vrouw? Zonder dralen gaat ze naar Betje toe en kijkt nog even omhoog naar de kapitein. Heere knikt instemmend. Ze voelt aan zijn voorhoofd en schudt haar hoofd. Ze spreekt een onbekend koeterwaals met Spaanse woorden. Het lijkt of Betje reageert. Hij begint te gorgelen en ‘G’ klanken te maken. De vrouw haalt een flesje te voorschijn en wrijft zijn lippen in. Betje likt ze af . Even kijkt hij op. Ik krijg het flesje.

‘Driemaals daags’ (Griemaal graags) begrijp ik. Alleen zijn lippen inwrijven. Heere en de vrouw verdwijnen even snel als ze zijn gekomen.

Johanna! Ik stond perplex. Betje had haar al gezien. Hij wist dat de kapitein met een donkere prinses hokte. Dat was een risico voor hem en voor haar. Dat was ‘not done’. Betje had het gemerkt. Niets ontging hem, altijd op de hoogte. Maar, nu was hij doodziek. Zou hij als eerste de pijp uitgaan? Betje, ons haantje de voorste. Altijd klaar voor een nieuw avontuur. Heere wist dat en wilde iets doen. Doodgaan is andere koek, dan is het afgelopen. De negers aan boord beschikten over geheime medische kennis. De bemanning was er nieuwsgierig naar. Het schimmelpapje in het flesje, dat Johanna me gegeven had, was ook zo iets. En dan, Wijnhoudt Heere bij ons in de hut.

 ‘Een treurige scheepshut der oceanen,’ zoals Betje altijd zei. Onze kapitein, hij deelde onze treurnis. Hij wilde helpen! We gingen voor hem door het vuur. Niet voor niets, dat bleek. Nooit voor niets, want we waren aangemonsterd tegen een goed gage.

Hoeveel jaren voeren we al niet met hem. Eerst op de Narwal. Schip om een mooie sier aan de Nieuwe Waal in Amsterdam mee te maken, maar niet voor de grote vaart. Het was aan de bekwaamheid van Heere te danken dat we de Narwal overleefd hadden. We hadden haar achtergelaten in Nieuw Amsterdam. Zo lek als een vergiet. Toch had ze goed dienst gedaan. Nu voeren we op de Albatros. Veelzeggende naam. Enorm schip, veel laadruimte, zeewaardige drie master. Gekaapt van Engelsen. We voeren ermee over lange afstanden met onze kapitein. Vaak waren we zo lang van huis, dat we ons afvroegen waar het was. Wij hadden alleen onze hut, Heere had meer. Een oude zeezwerver, die Wijnhoudt Heere. Onhandig aan wal. Altijd ruzie met de Heren van de West Indische Compagnie.

‘Vrekken’, noemde hij ze en daarmee bedoelde hij ook dat ze konden verrekken.

‘Kielhalen, die lui!’ Hij had het graag gedaan. Hij deed het niet. Er school een zakenman in Heere. Uitzonderlijk uithoudingsvermogen, dat zeker. Altijd weer het zeegat uit, altijd weer op avontuur.

Zag Betje onze toekomst? Ik verzorgde hem als onze ziener. Betje moest in leven blijven. De rest kon doodgaan. Trouwens dat gebeurde ook. De slaven stierven bij bosjes. Langzaam leek hij te herstellen en dat lag onmiskenbaar aan dat medicijn. De bemanning werd er onrustig van. Als er zulke medicijnen waren dan hoefde een ieder niet zo te lijden, dan was er veel meer overleving mogelijk. In onze thuislanden hadden ze zulke medicijnen niet. Bloedzuigers op je armen of amputatie van lichaamsdelen, dat waren de remedies en dan werd er daarna een schilderij voor de anatomische les van gemaakt. Mooi schilderen dat konden ze daar in het hoge noorden. Betje reageerde wonderwel op Johanna’s medicijn. Ik keek met bange ogen naar het flesje. Veel zat er niet in. Zou hij het halen?

We waren er bij geweest dat Fort Amsterdam gesticht werd. We hadden het hele achterland daar schoongeveegd en in cultuur gebracht. Wingewesten. Kapitein Heere wilde weer de zee op en had een nieuw schip geregeld. Alles wat we kaapten moest eerst afgestaan worden aan de West Indische Compagnie. Heere hield een complete boekhouding bij van gestolen spullen. De Albatros had hij erbuiten gehouden. Nu was hij vrij man en eindelijk verlost van zijn uitbaters. Zo voelde Heere dat, dat hij uitgebaat zoals een herberg met een waard uitgebaat wordt. Maar de risico’s op zee waren veel groter dan thuis aan de tap en de strijd om te overleven, maakte hem tot een uitbuiter, een slavenhandelaar. Zo had Betje de malaria in Afrika opgelopen en misschien nog wel veel meer ziekten gekregen. Hij vocht voor zijn leven in zijn kooi.

We voeren nu in ronden op de Atlantische Oceaan. Dat was de trend in deze jaren: globalisering. De rondheid van de aarde was nog niet ontdekt en meteen voeren wij ook rondjes. Niet heen en terug, maar in een keten van inladen, van lossen, inladen en weer lossen. We brachten handelswaar, buskruit, geweren en kannonnen naar het zuiden. Ook weggeef dingen en prullaria. Daarmee werden zwarte mensen gelokt voor de kust van Benin en Biafra. In een paar maanden werd het schip gevuld met slaven, dan gingen we westwaarts. Propvol met zwarte mensen. Velen sterven onderweg. Malaria, volksziekte nummer één. Geslachtziekten, buikloop. Gekte, niet minder hoog genoteerd. Die zwarten gingen zo de pijp uit en wij ook. En Betje? Hij ijlde dagen op een uiterste grens. Zijn wonden waren bijna weg. Het flesje raakte op. Hij was nog steeds niet bij zijn positieven.

Op zee met de Albatros, alsmaar rondjes draaien op de Atlantische oceaan. Het leven op zee. Als eendjes in een vijver met goud en zilver, met Wijnhoudt Heere aan het roer, onze Dagobert Duck. Dat was hij toch wel een beetje geworden: een goudzwemmer. Hoe meer van die Atlantische rondjes, hoe rijker hij werd. Wat een zeellieden waren we geworden. De grote vaart! De negers werden gelost in Brits en Frans Guyana ging en dan voeren we weer  naar Noordelijke streken, naar Amsterdam. De Albatros zat dan natuurlijk ook weer vol. Dit keer met suiker, koffie, cacao, katoen, rum en tabak. Driehoekje varen, tel uit je winst. Kapitein Heere, een winstdrieverdubbelaar.

Betje wist nog steeds niet waar hij was, hij ijlde nog. Hoe lang duurde dit nu al? Hij stonk niet meer, maar zijn kooi rook naar zuur. Hij zag er rein uit zijn wonden waren geheeld. Het flesje was leeg. Was zijn laatste uur geslagen?

     Alles is warm, de zee, de nacht, de hut. De zee wordt donkergrijs en de lucht zwart. De wind lijkt ons op te tillen als een vlieger. Heere beveelt onmiddellijk alles vast te binden en de zeilen binnen te halen. Iedereen moet van het dek. We wachten af. Vliegende storm, lauwe regen. We worden meegenomen in een draaikolk., een zuil van water. We worden steeds meer naar binnen getrokken. De Albatros is stuurloos. Naarmate we naar het centrum komen, kunnen we zien dat er zich van alles in de zuil bevindt: vissen, bomen, wrakhout. Het is slingerende slurf hoog naar de hemel. De Albatros is te zwaar om mee te stijgen en beweegt zich naar het midden. We zien boven aan het eind van de slurf een heldere hemel. Het schip draait langzaam in de kolk naar beneden. Betje valt uit zijn kooi en ontwaakt uit zijn wanen. De Albatros komt vanuit een donkere diepte weer omhoog en we worden uit de slurf op land geslingerd. We bevinden ons ergens in de rimboe. Het opgestuwde water vloeit snel onder ons weg. Omgewaaide en geknakte bomen, een platgeslagen woud om ons heen. We zien de cycloon verder trekken. We liggen vast.

De bemanning kwam weer te voorschijn en Heere  nam de schade op. Veel zin had dat niet want de Albatros werd kilometers landinwaarts uit de cycloon gesmeten. Recht op, met drie gekakte masten en een gehavende boog. Heere verscheen met Johanna op de kampanje. Betje stond ook bij hen. Helemaal beter.

De kapitein nam het woord: ‘Mannen, op zee hebben we niet zoveel tijd voor godsdienstige dingen, maar Betje voorspelde het in zijn hallucinaties: Het moet uit zijn met dat rondjes varen op de oceaan. Er zit een grens aan die ‘dikke doekoes’. Iedereen is vanaf nu vrij te gaan en te staan waar hij wil. Ik betaal jullie je gage voor de gehele Atlantische ronde, maar de Albatros blijft hier. Johanna en ik gaan hier een plantage vestigen. Jullie kunnen blijven. Er is werk genoeg.’

Betje knikte, alsof hij vond dat zijn hallucinaties goed werden uitgelegd. Hij meldde zich als eerste aan. Alle slaven werden bevrijd. De kapitein was zichtbaar opgelucht. Op een haartje na hadden we schipbreuk geleden. Wilde hij een landrot worden? Maar dan wel een bijzondere. Noodgedwongen met een boot in de rimboe. Kilometers landinwaarts met een mooie vrouw op de boeg, midden in het oerwoud.

Sinds hij van de Compagnie afwas was ie veel vrolijker en veel meer uit op een echt avontuur. De kaapvaart was ook zogoed als voorbij. Er was vrede. De Engelsen hielden zich voorlopig koest. De Fransen telden niet echt mee op zee. De Spanjaarden waren in de pan gehakt door Michiel de Ruyter, een oude maat van Heere. Het was rust op zee, de kaarten leken geschud.

‘God is on our side.’ Dat zei Betje in zijn helderziendheid, niet wetende dat Wijnhoudt Heere, die God was. Dat wist ik weer. Ik sprak niet zo goed in tongen, maar ik kende wel mijn talen.

BB

Dikke Doekoes is het laatste verhaal in het drieluik met Een Scheepshut en Een sublieme ervaring.

Klik hier om te luisteren. 

Dikke Doekoes is onder andere verschenen op de literaire pagina in De Ware Tijd (Paramaribo, 19 oktober 2009)