Klik hier om te luisteren:

De oude plataan

De geluidsstudio stond middenin in de stad, op een beschutte binnenplaats, onder een oude plataan. Een boom met wijdvertakte wortels naar verder gelegen grachten, onder de straat door naar de huizen aan de overkant. Een boom van 35 meter hoog, van zeker 250 jaar oud. Een reus, bestand tegen verschillende soorten vervuiling. Hoog torent hij uit boven de grachtenhuizen. Een schilferende huid van boomschors: bruin, grijs en groen. Zo zuidelijk in het Noorden. Lommer in de zomer. Een boom van die leeftijd, zo midden in de oude stad, dat raakte hem. Hoe kon het dat hij dit niet eerder wist? Een stad gemaakt door mensenhanden. Een boompje ooit eens gepland, had zijn indrukwekkende plek gedurende eeuwen ingenomen en niet meer prijsgegeven. Het gaf hem een nieuw beeld van het vroegere leven in de stad, over dingen die blijven en die verdwijnen. Voordat hij de opnamestudio inging, wilde hij daarover enkele notities maken.

Hoe lang woonde hij hier al? Meer dan veertig jaar. Ook hij had wortels in deze stad, wortels die anderen allang hadden losgelaten. Zijn stad was juist een stad waarin je kon gedijen. Een stad waarin je vroeger neerstreek, ‘om het te gaan maken’ zoals je dat in New York deed. Desnoods bleef je er tijdelijk, zoals een ooievaar dat doet in een boom, maar wel met een nest. Maar, blijven of regelmatig op het nest neerstrijken, dat was allang niet meer zo. Een pied-à-terre was onbetaalbaar geworden. Zijn stad was een passage geworden voor jongeren. Vijf jaar, niet langer bleven ze, dan gingen ze weer, de stadsregio in of weer door naar weer een andere agglomeratie. Ze kwamen nog wel terug, maar dan als bezoekers, als toeristen, als winkelende voorbijgangers. Je definitief vestigen, of langdurig ergens je kamp opslaan, kon dat nog wel? Begon hij ouderwets te worden? Was alles teveel in beroering en was hij stil gevallen? Deze boom zou het antwoord niet geven. Dat was beneden zijn stand. Deze plataan sprak duidelijke taal met zijn grillige vorm, zijn noeste bast en hoge tooi.

Hij schreef veel over zijn stad waarin hij met zoveel liefde woonde. Verspreide teksten over verschillende onderwerpen, maar vooral over plannen en ambities van de stadsbesturen en het leek wel of die plannen nooit ambitieus genoeg waren. ‘Startplannen.’ Een begin steeds, dat elk moment overtroefd kon worden. Van wie moesten die plannen nog ambitieuzer? Van de bewoners? Hoeveel mensen woonden er nog in zijn stad? Als hij het vergeleek met de bezoekers, woonden er nog slechts een handje vol. Hij moest echter voorlezen. Hij moest de studio in. Maar hij kon het niet, de oude plataan had teveel indruk op hem gemaakt. Hij vroeg nog enige tijd om te schrijven. De geluidstechnicus had nog genoeg te doen.

Hij wilde een verhaal voorlezen over een schip dat wegvoer in 1621. Een galjoen dat uitvoer in opdracht van de West Indische Compagnie. Met twee jonge verstekelingen aan boord. Een vertrek voor de kaapvaart, zeker, maar ook een ontdekkingstocht naar nieuwe gebieden en nederzettingen. Het verhaal speelde in een tijd waarin ‘de stad het mogelijk maakte om elders geld te verdienen’. Daar was die Compagnie en het bijeengebrachte kapitaal voor bedoeld. Het stedelijke perspectief was naar buiten gericht. Het vizier gericht op wijdvertakte verten in nieuwe werelden, naar alle mogelijke wingewesten.

De huidige stadsbesturen hadden niet zoveel op met verre gebieden: ‘Er kon veel meer verdiend worden aan de stad.’ De stad zelf was tegenwoordig het wingewest. In die gedachte nam de oude plataan wel heel veel ruimte in. In plaats ervan zou een enorm pand gebouwd kunnen worden.

Alles moest tegenwoordig compact, intensief en gemengd. Dat laatste, gemengd, betekende dat er naast ‘wonen’ ook ‘werken’ mogelijk moest zijn. Bewoners trokken weg, bedrijven waren allang vertrokken. Dat waren de trends in het moderne leven van zijn stad. Zou de oude boom met zijn wijde ondergrondse vertakkingen nog een lang leven beschoren zijn?

De opnamen moesten beginnen. Nog even vroeg hij tijd voor zijn aantekeningen, maar hij was ook bang om de benauwde studio in te gaan. De technicus stelde hem gerust: ‘U bent hier voor het eerst, neemt u rustig uw tijd voor uw voorbereiding. U zult zien. Het valt mee. Het gaat vanzelf. Ik heb uw tekst gezien: prachtig historisch verhaal, geworteld in een roemrucht verleden.’ Maar hij had opeens geen zin meer om dat verhaal te lezen. Door de plataan kwam hij op iets geheel anders. De plataan mocht dan wel groot en machtig zijn. Hij zou zomaar in één dag ontmanteld kunnen worden en in brokstukken kunnen worden afgevoerd. Zo snel dat betrokkenen met een ‘voorlopige voorziening’ het nakijken hadden. Zo’n voorziening, dat was slechts een noodmaatregel om iets tegen te houden. Veelal al te laat. Hij zag de kwetsbaarheid van zijn oude stad. De plataan bracht hem erop. Hij zocht in zijn laptop naar een heel ander verhaal dat hij recentelijk had geschreven, waarin dat naar voren kwam. Dat wilde hij eerst voorlezen. Dat paste veel beter bij deze tijd dan een nostalgisch verhaal over de scheepvaart van vroeger. Dat kon altijd nog. Opeens kreeg hij het gevoel deze boom te moeten redden. Maar werd deze boom wel bedreigd? De opnamen moesten nu echt beginnen. De opnametechnicus stelde hem gerust: ‘Als het goed klinkt, is de tekst goed. Wij hebben geen lezers, wij hebben luisteraars.’ In het land der blinden ben ik even koning, dacht hij. Hij knipoogde. De opnametechnicus zag niets. De opname begon. Hij las een ander verhaal voor. De technicus keek verbaasd op.

‘Vlucht HV5582. We vliegen op grote hoogte. Op 2000 meter. We draaien rondjes. Onder ons een grijs wolkendek. Mooi weer. Niets aan de hand. We staan in de wacht. Boven is het stil, beneden is het druk. Ik denk aan Amsterdam als een vingerafdruk, een opengesneden ui, een hersenpan met twee helften, een vagina. Een stad die geuren en indrukken achter laat. Haringen. Zuur. Ik denk aan Nescio, aan de Blauwbrug. Ik denk aan de ratten en hun koningen. Ik fiets over de grachten, wind mee, wind tegen. Ik zie de Stopera vanaf de Magere brug. Overal waar ik kijk, zie ik nieuwbouw verschijnen in ongekende hoogten. Stadsdelta. Nat vingerwerk. Een ingepakte stad. Vrouwen achter ramen... De gezagvoerder meldt dat we toestemming hebben om te landen. ‘Er is nogal wat turbulentie beneden.’ Klinkt vanuit de cockpit... Vlucht HV5582 zakt in het grijze wolkendek. Donderdag 18 januari om 12.00 uur vlieg ik met Transavia over Durgerdam, over de Schellingwouderbrug, boven ’t IJ, naar het centrum, richting Schiphol. Het toestel begint te dansen in de wolken. Vliegende storm, striemende regen... Turbulentie? Het vliegtuig wappert van links naar rechts en op en neer. ‘Pas op gevaarte wenkt uit!’ We scheren langs de parel van de Westertoren. Die kan je zowat aanraken. Het vliegtuig daalt als een aangeschoten kraai. Eén van de passagiers begint te jammeren, een angstige jammerklacht over een leven dat hier te vroeg zal eindigen. Misschien dat al onze levens hier te vroeg zullen eindigen. De spanning loopt op en zelfs de meest geoefende luchtreiziger zie je de handen vaker afvegen en meer zelfverzekerd rondkijken dan nodig. Aan je maag kun je voelen dat de schommelingen enorm zijn. Attractie op Six Flags? Iamsterdam met de ‘a’ als een klein hartje...’

De technicus deed de deur van de opnamestudio open.

‘Wat een mooi verhaal leest u daar voor! Geheel anders dan in de planning staat. U zou een historisch verhaal voorlezen. Het komt door de plataan, u bent door onze plataan op andere gedachten gekomen, is het niet?’ Hij voelde zich betrapt. Hij zei: ‘Maar kunt u hem zien?’ De blinde technicus zei, terwijl zijn ogen leken te zoeken naar datgene waarvoor geen woorden zijn: ‘De machtige dingen van deze schepping hoef je niet te zien, die kun je ervaren. We hebben deze boom wel eens omarmd om zijn grootsheid te voelen en ’s zomers daalt er een geheimzinnige luwte neer op de binnenplaats. Deze plataan is een wachter, een beschermer van onze studio, waarin wij het onzichtbare hoorbaar willen maken.’

Een boom, 250 jaar oud, een braille puntje in een stenige omgeving. Een groen reliëf, een verborgen dimensie tussen grachtenpanden.

 

Opgedragen aan Jan Chris Jansen (Verschenen in Ien mei de dingen en Eén met de dingen.)