Persoonlijke ontwikkeling

Natuurlijk, er valt een scheiding te maken tussen mannen en vrouwen, maar moet die scheiding zo strikt als een digitale verdeling in enen en nullen? In mijn jeugd dacht ik daar nooit over na. Er was weliswaar een verschil, maar dat was er één van gelijkmatigheid, van verdeling van taken in een huisgezin. Mijn vader ging er wel op uit om geld te verdienen, maar dat kon moeder ook doen. Het was een taakverdeling waarbij afspraken werden gemaakt. Een taakverdeling die handig was. Als hij meer en makkelijker kon verdienen, waarom zou moeder dan zwoegen voor centen?

Ik heb me wel eens afgevraagd of mijn vader niet liever de rol van mijn moeder had overgenomen. Hij had een goede baan in de rechterlijke macht, maar hij vond zijn gezin het leukste. Thuisgekomen klaarde hij zienderogen op. De tas met dossiers bleef onder de kapstok staan. Hij begon te kletsen en te ouwehoeren. Hij hield van mijn moeder, hij hield van ons. Mijn moeder was naast haar huiselijke taken een ondernemende vrouw. Zij runde met haar zusters de heren modezaak van opa en oma. In Amsterdam.

Soms mochten we met haar mee. Naar tante Elisabeth, die full-time in de zaak stond. Kwartaalcijfers, jaarcijfers? We moesten dicht bij haar blijven, want Amsterdam was een poel des verderfs. Zij leidde ons er kordaat doorheen. We liepen van het CS naar de Leidse straat. Tante Elisabeth had altijd nieuwtjes. Zo vertelde ze een keer van een vrouw die zich een mannenpak had laten aanmeten. Haar echtgenoot was erbij. Tante Elisabeth kende haar klantenkring zeer goed en ze was een goed verteller. Het was een hele klus voor de kleermaker, natuurlijk, maar de sfeer waarin gepast en gemeten werd, onder het oog van de geïnteresseerde echtgenoot, was goed. En daar ging het om. Ze deed het keurig uit de doeken. Mij bleef toen al bij dat je in de grote stad een veel ruimer scala van gewoonten hebt, van onderlinge afspraken, van overgangen tussen mannen en vrouwen. Een vrouw in een deftig mannenpak? Misschien stak ze ook wel sigaren op? Hoe zou het zijn als ouders van taken en rollen wisselen. Letterlijk, dacht ik, van pak wisselen? En een wisseling van seksuele identiteit? Dat bestond toen nog niet. Zouden ze gelukkiger worden?

Tante Elisabeth schetste een wereld waarin dat kon en waarmee verdomd goed rekening mee gehouden diende te worden, want het waren goede klanten. Op de terugweg probeerde ik dan meer van mijn moeder los te krijgen over die wondere wereld van mannen en vrouwen en hun afspraken. Moeder gaf nooit sjoege.

Eind jaren 60 ging ik in Amsterdam studeren. Op Koninginnedag gingen we een keer naar Bet van Beeren, een café op de Zeedijk. Toen nog - alleen op die dag – open voor travestieten. Dat was mij onbekend. Ik werd er overmand, ik moet zeggen: ik werd er ‘overvrouwd’, door vreemde wezens. Ik ben er weggevlucht. Nichtenkit.

Waren ze gelukkig? Ik had er lang niet meer aangedacht - ik zit ook al zolang in dynamisch Amsterdam te suffen – totdat ik het essay van Rudy Kousbroek, ‘Zielsverhuizing’, weer onder ogen kreeg. Kousbroek beschrijft een ervaring in zijn jeugd waarbij hij als het ware ‘intreedt’ in de identiteit van een meisje. Hij beschrijft summier de sensaties die dat met zich mee kan brengen. Uitgebreid gaat hij in op een experiment waarbij twee vrouwen van rol, van leven, ruilen. In zijn conclusies maakt hij een interessante wending door de vraag naar geluk op te werpen. Wat levert het op aan geluk? Of, wat kun je bij welke wisseling dan ook nog meer aan geluk verwerven? Dat is essentieel: wisselen kan, maar gaat geluk mee in de wisseling?

Gerard Goudsmit was een collega in Amsterdam. Later werd hij Gerdine. Hij kon niet anders. Een onvermijdelijke omvorming. Een ontwikkeling van verlegen jongetje (met voorkeur voor wiskunde) naar dominante meesteres (nog steeds met voorkeur voor wiskunde). Maar, geen weg terug. Zijn wiskunde diende vooral om het proces in gang te zetten. Hij vertelde over het proces van kwalitatieve, continue- en discontinue veranderingen, van man naar vrouw als een geleidelijke of verschuivende overgang. Vertelde Gerard nog ‘als een relatieve buitenstaander’ over de verschillende fasen bij het proces van omvorming: operatie, hormonen, ontwikkeling van borsten. Bij Gerdine werd ‘de vertelinstantie’ die van een actieve deelnemer in een alles meeslepend proces. Gerdine ging van de hak op de tak en zij leek vanuit haar omgevormde positie de wereld volledig anders te beschouwen. Een beoordelende instantie was er niet meer. Of misschien moet ik zeggen dat ‘waarnemer Gerard’ foetsie was. De mannelijke waarnemer die rust verschaft door processen in te delen, te benoemen en analyses te verschaffen zoals psychiaters dat doen met pillen en injecties. Bij Gerdine was het hek van de Dam! Weg equilibrium! Kokende thermodynamica! Chaos troef voor collega’s.

Toen Gerdine het overnam van Gerard werd alles nieuw. Haar grote avontuur was begonnen. De overgang had onvermijdelijk ook ontbinding en onthechting ten gevolge en Gerdine deed verslag in steeds meer verbrokkelde beschrijvingen. De wiskunde van Gerdine kon nooit meer die van Gerard zijn, omdat ze radicaal van positie was veranderd: van waarnemer naar deelnemer. Haar ‘deelnemerswiskunde’ werd dan ook anders. Minder overzichtelijk, abrupt, catastrofaal, instabiel, chaotisch. Heel modern in die tijd, eind jaren zeventig. Onderwijs aan de Universiteit van Amsterdam. Was Gerard nog een geduldige docent met een pijp, Gerdine was een strenge lerares met een zweepje. Ik vroeg mij af of zijn geluk naar haar was meeverhuisd of dat haar persoonlijke ontwikkeling te heftig, te onomkeerbaar was. Aan dapperheid had ze gewonnen. Dat is zeker. Geluk is met de dapperen. Ik kan niet anders concluderen dan dat zowel Gerard als Gerdine gelukkig waren. Hij gaf het geluk door, door het voor te structuren met indelingen en consequenties. Het was de exacte uitwerking van zijn idee, zij nam zijn uitwerking mee en ging ermee aan de haal. Letterlijk.

Als ik naakt voor de spiegel sta, zie ik duidelijk een man. Mijn benen zien er gehavend uit als die van een marathonschaatser. Varkenspootjes. Met het klimmen der jaren, groeit mijn buik. Ik begin zelfs tietjes te krijgen. Ook als ik mijn geslacht tussen mijn benen verstop, blijf ik onmiskenbaar mannelijke trekken houden. Daar ben ik niet ongelukkig mee. Vrouwen met dikke borsten hebben niet noodzakelijk aantrekkingskracht op mij.

‘Een mooie vrouw heeft een jongensborst.’ 

Ik weet niet meer wie dat gezegd heeft. Trudy Kousbroek?

BB

(verschenen in Eén met de dingen)