Bij wijze van toelichting

In 1987 promoveerde ik aan de Universiteit van Amsterdam op Leidraden voor zelfhulp. Het onderwerp is nog steeds interessant, daarom komt mijn proefschrift weer beschikbaar. Enige opmerkingen ter toelichting en het voorwoord 'bij wijze van toelichting'

Mensen leren in verschillende situaties en op verschillende manieren. Als kind, als volwassene, op school, in het huwelijk en op het werk. Tijdens een concert. Mensen leren van oorlog en oorlogsvoering. Ze leren tijdens ziekte en gezondheid, achter de TV, in het verkeer, bewust en onbewust, analoog en digitaal, klasse-gebonden en klasse-ongebonden, spontaan, chaotisch en geordend. Mensen leren van voorbeelden, van uitbreiding van conceptuele vermogens, etc. Soms leren ze helemaal niets.

Het is mogelijk en misschien verstandig om verschillende leerstijlen te onderscheiden. Maar, dat kan niet altijd in alle situaties en daar is niet altijd in alle situaties tijd voor. Iemand kan bijvoorbeeld op jeugdige leeftijd talent voor tennis hebben. 'Hoe' dit (top) tennistalent tot ontwikkeling moet worden gebracht, verschilt en 'waar' die ontwikkeling (naar de top) stagneert, verschilt tevens. Sommigen ziekten voltrekken zich zo snel dat de patient (en zijn familie en zijn dokter) er (nog) geen lering uit kan trekken. Er zijn ook nieuwe vormen van kennis die niet, nog niet en misschien nooit 'geleerd' kunnen worden. Kennis over sociale dilemma's bijvoorbeeld. Ook is het mogelijk dat de 'kennis' eerst ontwikkeld moet worden alvorens het mogelijk is dit door te geven, of iemand erin op te leiden. Sommige leerprocessen lijken zich eerder te moeten 'ontvouwen', dan dat ze 'ingericht' kunnen worden.  Er zit een  uitdaging in om kennis over 'ontvouwingsprocessen' te vergroten.  Deze uitdaging speelt met name bij urgente problemen, bij 'problemen waar je zelf deel van uitmaakt' (zoals bij ziekte) of bij zgn. 'ongestructureerde problemen'. Het gaat bij dit laatste onderscheid om een bepaalde groep van praktijkproblemen die zodanig gestructureerd zijn, dat niet duidelijk is volgens welke criteria ze opgelost moeten worden, maar ze hebben toch, met (een zekere) urgentie, een doorzichtelijke oplossing nodig. Deze problemen kunnen niet zondermeer volgens een bepaalde logistiek, in een bepaalde tijd en herhaalbaar door andere oplossers aangepakt worden (Zie: Hier moet iets gebeuren, B. Bakker. In: Alers, W.M.B., Drukker, E.L. en Stroes, HJ., 1991, De lerende organisatie: een diversiteit van perspectieven).

BB

 

 

LEIDRADEN VOOR ZELFHULP

(Bij wijze van inleiding)                                                                                                                        

Wie de schat wil vinden, moet eerst het huis in. Wie het huis binnen is, moet nog de kluis in. Maar zelfs wie in de kluis is weet niet altijd voldoende. Wat is de schat en wat is een namaak prul? Een sleutel en een wegwijzer kunnen in al deze gevallen handig zijn. 

In dit woord vooraf wil ik enkele aanwijzingen geven voor wie de weg in deze studie gemakkelijker wil vinden. Gebruik van de sleutels is uiteraard niet verplicht. Zeker een inbreker zal zijn eigen weg willen gaan. Maar die loopt meer risico's dan de meeste lezers zich zullen wensen.

In dit boek wordt verslag gedaan van een onderzoek naar groepen mensen die zich aaneensluiten om zichzelf en elkaar te helpen. De opbrengst is van verschillend belang. De bedoelde opbrengst wordt gevormd door een beter zicht op het verschijnsel zelfhulp, naast een beter inzicht in de wijze waarop ervaring met zelfhulp herkenbaar gemaakt kan worden. Voor dit laatste blijken leidraden een goed hulpmiddel te zijn. Meer in het algemeen kan ik conclu­deren dat de vorming van zelfhulpgroepen een boeiende en belang­rijke aanvulling vormt op meer gebruikelijke methoden van sociale steun.

Dit boek geeft niet het laatste en zeker geen volledig antwoord op wat zelfhulp is. In feite gaat het hoofdzakelijk om enkele aspecten, die in een aantal afzonderlijke 'verhalen' aan de orde komen. Dat wil niet zeggen dat die verhalen los van elkaar staan. Ze zijn te beschouwen als een serie in elkaar passende dozen, waarvan elk eerst open moet om de volgende te kunnen openen.

De eerste doos wordt gevormd door antwoorden op vragen over het verschijnsel zelfhulp. Hoe ziet dat er uit, wie doen er aan mee, wat gebeurt er in en rondom zelfhulpgroepen, welke verschijnselen van groepsvorming uit het verleden laten zich als zelfhulp beschrijven? Hoe dienen die verschijnselen te worden geïnterpreteerd? Welk inzicht laat zich als these formuleren?

In de tweede doos past een verhaal over de hulpmiddelen die men kan inzetten om zelfhulpgroepen te vormen en in stand te houden. Ideeën over het gebruik van de hulpmiddelen krijgen vorm via het begrip leidraad. Enkele daarvan worden beschreven. Welke eigenschappen hebben die, hoe moeten ze worden gevormd, hoe kunnen "betere" van "slechtere" worden onderscheiden?

De derde doos wordt gevormd door het verhaal over de relatie tussen de leidraden en het ontstaan van zelfhulpgroepen in de huidige tijd. Tot slot volgt nog een meer algemene beschouwing over de wijze waarop men dit soort schatten kan zoeken.

Dit boek is gebaseerd op de resultaten van een door ZWO gesubsidieerd project, genaamd "Zelfhulp en verbetering", dat door Matthieu Karel en mij tussen 1979 en 1982 is uitgevoerd. Aanvankelijk lag het in de bedoeling dat wij ook gezamenlijk zouden promoveren. Dat is niet gelukt. We hebben daarom besloten het verworven materiaal ieder afzonderlijk te benutten. Tot de verschijning van dit boek is dat alleen in de vorm van artikelen gebeurd. Een dergelijke scheiding biedt naast nadelen ook een voordeel voor geïnteresseerden. Men kan verschillende interpreta­ties naast elkaar bekijken.

Aanleiding tot het onderzoek vormde de opkomst van allerlei soorten zelfhulpgroepen, die vanaf het einde van de zestiger jaren zichtbaar werd, en die vervolgens in de zeventiger jaren een sterke versnelling toonde. Ons inziens een zeer opmerkelijk verschijnsel: ze vond plaats in dezelfde periode waarin de sociale hulpverlening ook professioneel sterk werd uitgebouwd. Op een of andere manier klopte er iets niet. We wilden daarom meer weten over wat zelfhulpgroepen doet functioneren, en over de plaats van zelfhulpgroepen in de meer algemene maatschappelijke ontwikkeling. Dat laatste was voor ons zeker niet het minst belangrijke. Zelfhulpgroepen leken bij te dragen tot een vorm van maatschappelijke competentieverhoging, en de oplossing te vormen voor een probleem dat moeilijk anders aan te pakken valt.

Dit probleem betreft de verdere ontwikkeling van de psycho­sociale hulpverlening. Deze werkt volgens een geheel eigen dynamiek. Enerzijds is sprake van een probleem van erkenning: problemen van individuen dienen te worden erkend als problemen van voldoende algemeen belang om voor de aanpak ervan maatschappelijke hulpmiddelen in te zetten. Anderzijds is sprake van een reductieprobleem. Individuele problemen vertonen een grote mate van verscheidenheid, en die dient te worden gereduceerd tot meer beheersbare proporties, wil van een maatschappelijk ondersteunde aanpak sprake kunnen zijn.

Beide problemen laten zich op diverse manieren aanpakken. Een veelgebruikt model was (en is) het model dat de problemen van individuen als technische en dus rationeel oplosbare problemen erkent, en waarbij men de veelheid van symptomen tracht te beperken tot een gering aantal "onderliggende" syndromen. Dit model is, in dit geval, ontleend aan de medische praktijk, en wordt daarom vaak als 'medisch model' aangeduid (wat niet inhoudt dat dit model nog steeds uniform in de medische praktijk wordt toegepast, of zelfs in deze vorm).

Het gebruik van het medisch model heeft in de sociaal-wetenschappelijke hulpverlening geleid tot de organisatorisch gescheiden inrichting van de diverse soorten hulp, zoals opvanghuizen, gezinstherapie, financiële hulp, enz. Onze gegevens wijzen er op dat met name de aanpak volgens dit medische model nogal eens wat moeilijkheden opleverde, hoe populair het ook is geworden. Er laten zich althans heel wat pogingen onderkennen om tot verbetering te komen. Hiertoe behoort mijns inziens ook het streven naar voorzieningen, waarbij de diverse typen van hulpver­lening in een organisatorisch verband en in een gebouw worden ondergebracht, als "geïntegreerde" voorzieningen.

De ontwikkeling in Nederland van allerlei zelfhulp groepen vormt mijns inziens eveneens zo'n poging, een poging overigens die, hoe recent ook ontstaan (vanaf de jaren zeventig), nog steeds niet is stopgezet. De aard van deze poging was indertijd geenszins duide­lijk. Misschien wilden de diverse groepen niet meer doen dan de open gaten vullen van het zich ontwikkelende systeem van de sociale hulpverlening. Misschien ging het om een meer fundamentele reactie: verzet tegen de manier waarop men de opbouw van dat systeem organiseerde. Verder konden we het ontstaan van de zelfhulpgroepen ook opvatten als een poging om tot een betere afstemming te komen van de steunvoorzieningen op de gebruikers. Het zou dan vooral zijn gegaan om inrichting van een soort tijde­lijke tussenschakel tussen de georganiseerde hulpverlening en de individuele hulpbehoefte. Mogelijkheden voor interpretatie genoeg dus; maar wat was er aan de hand? Kon het ontstaan van zelfhulpgroepen misschien zelfs gezien worden als een weliswaar alternatieve maar toch geheel zelfstandige en waardevolle manier om de erkennings- en reductieproblematiek uit te werken? Vooral deze tweede mogelijkheid trok onze aandacht: die van de ontwikkeling van een fundamenteel andere benadering. Een soort van "volksintuftie" zou mensen er toe kunnen hebben gebracht om de (wederzijdse) hulpvraag anders te vertalen dan men dat indertijd "officieel" deed, en deels nog doet.

Wie in dit soort van mogelijkheid geïnteresseerd raakt ontmoet enkele speciale moeilijkheden. Enerzijds wil men weten welke verschijnselen zich voordoen, om vervolgens de betreffende ont­wikkeling te kunnen bevorderen. Anderzijds zal inzicht in de mogelijkheid van verbetering ook inzicht in het verschijnsel zelf kunnen vergroten. Er wordt zodoende een dubbele vraagstelling geïntroduceerd: inzicht in het verschijnsel kan bijdragen tot verbetering, maar inzicht in de mogelijkheid van verbetering kan ook bijdragen tot inzicht in het verschijnsel.

Het beantwoorden van zo'n dubbele vraagstelling is zoals gezegd niet eenvoudig; toch meen ik daarin deels geslaagd te zijn. In dit boek wordt over beide aspecten gerapporteerd: over de mogelijkheden die zelfhulp biedt om de erkenning- en reductieproblematiek op te lossen, en over de mogelijkheden om zelfhulp te versterken en van de ervaringen daarbij te leren.

Wat het wetenschappelijk belang betreft nog het volgende. Ik heb geen boek willen schrijven waaruit mensen kunnen leren hoe elke vorm van zelfhulp in elkaar zit, noch een boek over de dagelijkse praktijk van zelfhulpgroepen. Mijn bijdrage ligt vooral op het punt van de bewustwording: dat zelfhulp een bepaalde vorm van maatschappelijke competentie impliceert, dat er procedures zijn, waarin en waarmee kennis systematisch kan worden verzameld (zij het niet steeds volgens de gangbare rituelen). In mijn boek krijgt zulke kennis de vorm van 'leidraden' - samenhangende uit­spraken waarin ervaring met zelfhulp herkenbaar wordt voor ander­en.

Ondanks deze sterk methodische en procedurele interesse vervult de praktijk van de zelfhulpgroepen steeds een belangrijke rol. De leidraden zijn bestudeerd in het kader van de ontwikkeling van zelfhulpgroepen. Het is ook in die praktijk dat ik mijn inzichten heb opgedaan - door verhalen van anderen te verzamelen, door te helpen zelfhulpgroepen op te zetten, en door met mensen te praten en te discussiëren.

Gezien de vele menselijke en methodische problemen waarvan ik hierboven een deel heb aangestipt, is het duidelijk dat ik niet zonder hulp heb gekund. Ik moet dan ook heel veel mensen bedanken voor hun steun tijdens het schrijven van dit boek. Allereerst Prof. dr. G. de Zeeuw. Zonder hem was dit boek nooit verschenen. Hij is ook degene geweest die het startschot voor dit boek heeft gegeven. In de doctoraaljaren van mijn studie hadden George Kerkhoven, Joop Kroon, Matthieu Karel en ik de werkgroep "zelfhulp" opgericht. We stapten naar De Zeeuw, die ons zeker zou kunnen helpen. Hij hoorde geduldig alle plannen aan en deed de suggestie aan de hand om "de determinanten van het zelfhulp gedrag" eens nader te beschouwen. Dat was een goed idee, daar konden we mee verder. Na een maand intensief veldwerk hadden we er lelijk de pest in. We kwamen met allerlei groepen en mensen in aanraking die hun organisatie opzetten, die allerlei emotionele en relationele problemen hadden, die aan het begin van iets nieuws stonden. Onze vraagstelling hield te weinig rekening met deze verbeteringstendens (van hun en van ons). Opnieuw stond De Zeeuw ons te woord. Vanaf dat moment ging het verbeterings- prob­leem een rol spelen. De opvatting over het te produceren kennisproduct veranderde in discussie met hem volledig: Daar ligt het begin van dit boek...